Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maart 1895 overleed. Zijn talrijke romans en novellen verraden talent van voorstelling, tevens echter een hoogst bedenkelijk realisme. Hij is de vertegenwoordiger van het naar hem genoemde masochisme. Het meeste opzien en aanstoot verwekten: „Das Vermachtnis Kains" (1870—1877), „Falseher Hermelin" (6de druk, 1897), „Liebesgeschichten aus verschiedenen Jahrhunderten" (1874) en „Polnische Geschichten" (2de druk, 1906).

Sachs, Hans, een Duitsch dichter, geboren den 5<ien November 1494 te Neurenberg, was de zoon van een kleermaker. Hij bezocht de Latijnsche school van zijn vaderstad, kwam in 1509 bij een schoenmaker in de leer en ontving tegelijkertijd van Leonhard Nunnenbeck, een linnenwever, onderricht in de beginselen van de kunst der meesterzangers. Van 1511—1516 bezocht hij als rondreizend handwerksgezel vele plaatsen van Duitschland. Na zijn terugkeer werd hij als meester in het schoenmakersgild opgenomen, trad in 1519 in het huwelijk met Kunigunde Kreuzer, na haar dood (1560) voor de tweede maal met Barbara Harscher (1561) en overleed den 19<ien januari 1576. Hans Sachs was een van de meest vruchtbare en veelzijdige schrijvers, die ooit geleefd hebben. In 1567 had hij, volgens zijn eigen opgaven, 4275 meesterliederen, 208 treur-, blij- en vastenavondspelen, ongeveer 1700 gedichten in rijmparen geschreven. Alles wat hij zag, hoorde of las gebruikte hij als stof voor zijn werken. Hij ontleende aan den Bijbel, aan Duitsche volksboeken en ridderromans, aan vertalingen van Latijnschi en Grieksche schrijvers, reisbeschrijvingen en kronieken, humanistische werken, wetenschappelijke werken enz. Vooral aan Boccaccio heeft hij veel ontleend. Hij nam elke stof geheel in zich op en gaf haar op zijn eigenaardige, levendige, frissche manier weer. Hij begon als meesterzanger, door hem kwam de school van Neurenberg tot bloei, ook vond hij zelf •een dertiental nieuwe wijzen, doch hij gevoelde, dat de tijd van de gekunstelde poëzie, die zich streng aan de voorgeschreven regels hield, voorbij was en heeft na 1556 slechts weinig meesterliederen meer gedicht. Hij was een warm, doch gematigd en verstandig aanhanger van de Hervorming, zooals uit zijn uitstekende 4 dialogen en zijn „Wittenbergische Nachtigall" blijkt. Zijn vastenavondspelen, zijn fabels en kluchtige vertellingen, die tooneelen uit het leven van boeren en burgers schilderen, munten uit door een uitstekende karakteristiek, een gelukkige behandeling van de details, een levendigen dialoog en echten volkshumor. Zijn treurspelen zijn het minst gelukt. De meeste werken van Hans Sachs werden bij zijn leven in afzonderlijke drukken, met houtsneden versierd, verspreid. De eerste druk van zijn gezamenlijke werken verscheen van 1558—1579 te Neurenberg, later zijn zij herhaaldelijk herdrukt. Van de 34 deelen, waarin hij zelf zijn werken schreef, zijn er 20 bewaard. De 17de eeuw koesterde over het .geheel een voorname minachting voor den ongeleer•den schoenmaker, eerst Goethe heeft hem op de ; plaats gebracht, waar hij behoort. In Wagners „Meis- : tersinger von Nürnberg" vervult hij een voorname rol.

Sachs, Julius, een Duitsch plantenphysioloog, geboren te Breslau den 2d<^ October 1832, studeerde i te Praag, vestigde zich aldaar als privaatdocent en j werd in 1861 hoogleeraar in de plantkunde aan de s landbouwschool te Poppelsdorf bij Bonn, in 1867 i

• aan de universiteit te Freiburg en in 1868 te Würz' burg. Hij bestudeerde vooral de inwerking van licht en warmte op de levensprocessen van de plant, de stofwisseling, het kiemen, den groei en de beweging van de geassimileerde stoffen in de plant en schreef: „Handbuch der Experimentalphysiologie der Pflanzen"(1866), „Lehrbuch der Botanik"(4de druk, 1874), „Grundzüge der Pflanzenphysiologie"(1873), „Geschichte der Botanik vom 16. Jahrhundert bis 1860"(1875) en „Gesammelte Abhandlungen über Pflanzenphysiologie"(2 dln., 1892—1893). Sedert 1873 gaf hij: „Arbeiten des Botanischen Instituts in Würzburg" uit. Hij overleed den 298ten Mei 1897 te Würzburg. Uit zijn nalatenschap verscheen: „ Physiologis che Notizen"(1898).

Sachsenspiegel. Zie Saksenspiegel.

Sacken, Fabian Gottlieb, Fürst von der Osten, een Russisch veldmaarschalk, geboren in 1752, stamde uit een oud Pommersch, thans in Koerland woonachtig geslacht, streed onder Soewarow tegen de Turken, in 1794 tegen de Polen, daarna onder Korssakow, onderscheidde zich in 1807 bij Poeltoesk en Eylau, verloor echter den 16den November 1812 den slag bij Wolkowysk. In 1813 voerde hij in den slag aan den Katzbach het bevel over den rechter vleugel. Ook bij Leipzig streed hij, evenals in 1814 in vele gevechten. Bij Laon voerde hij het bevel over den rechter vleugel en was tegenwoordig bij de bestorming van den Montmartre. Daarop werd hij gouverneur van Parijs. In 1815 voerde hij het bevel over het 5de legercorps onder Barclay de Tolly, daarna als veldmaarschalk over het eerste wester leger, hielp in 1831 den Poolschen opstand dempen, werd in 1832 in den vorstenstand opgenomen, en overleed te Kiew den 19den April 1837.

Sacken, Dmitry, graaf von der Osten, een Russisch generaal, geboren in 1790, nam deel aan den oorlog van 1812—1815, veroverde als chef van den staf van Paskewitsj in den Perzischen veldtocht in 1828 Achalkalaki en Gertwissy en voerde bij Kainly den lsten Juli 1829 het bevel over den linker vleugel. In 1831 werd hij generaal, terwijl hij in 1835 met het opperbevel over het 3de corps der reserve cavalerie werd belast. Hij werd in 1843 generaal der cavalerie en rukte in den naherfst van 1853 met het 3de corps de Donauvorstendommen binnen. Na het ontslag van Mensjikow ontving hij onder Gorsljakow in 1855 het bevel over Sebastopol. Hij werd tevens in den gravenstand opgenomen en tot lid van den Rijksraad en tot adjudant-generaal van den keizer benoemd. Hij overleed op zijn landgoed in het gouvernement Cherson den 27sten Maart 1881.#

Sacken, Eduard, vrijheer von, een Oostenrijksch oudheidkundige, geboren te Weenen den 3den Maart 1825, studeerde aldaar in de wijsbegeerte en werd in 1854 custos en in 1871 directeur van het keizerlijk kabinet van munten en oudheden. Hij schreef onderscheiden werken over de Ambraser verzameling aldaar o. a.: de beschrijving (2 dln., 1855), „Rüstungen und Waffen"(2 dln., 1850 en 1862), en „Kunstwerke und Gerate"(1841) en over het keizerlijke kabinet van munten en oudheden, o. a.: „Die Sammlungen"(met F. Kenner, 1866), „Die antiken Bronzen"(1871) en „Die antiken Skulpturen"(1873), verder „Archaologischer Wegweiser durch Niederösterreicli"(2 dln., 1868—1878), „Das Grabfeld von Hallstadt"(l868), „Katechismus der Baustile"(14de druk, 1901), „Katechismus der Heraldik"(6de druk,

Sluiten