Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6,4 millioen gld., 115 355 ton ijzerertsen ter waarde van 240 000 gld., 701 281 ton koperertsen ter waarde van 17,1 millioen gld., 108900 ton keukenzout ter waarde van 1,4 millioen gld. en 159 503 ton chloorkalium ter waarde van 11 millioen gld. De bruinkolenbeddingen strekken zich uit van de Oschersleben over Kalbe tot aan Weiszenfels, terwijl er ook elders worden gevonden, en de steenzoutlagen bij Staszfurt hebben een Europeesche beteekenis, daar zij talrijke fabrieken van kunstmest deden verrijzen. Men begint steenzoutlagen te Ilversgehoven bij Erfurt te ontginnen. Ook vindt men er zoute bronnen. De fabrieken beperken zich, behalve die voor suiker (1905—1906: 108 fabrieken en 9 raffinaderijen) in bovengenoemde vruchtbare landstreek en de weverijen op de Eichsfeld, tot de steden en haar omgeving. Er bestaan fabrieken voor laken, wollenen katoenen stoffen, cichorei, machines, naaimachines, chemicaliën, minerale olie, sigaren, pottenbakkersartikelen, waggons, dakbedekking, mousseerende wijnen, wapens, linnen, stijfsel, leer, schoenen, brandewijn enz.; verder belangrijke scheepstimmerwerven te Buckau, terwijl de handel bevorderd wordt door bevaarbare rivieren, het Plauensche Kanaal, talrijke kunstwegen en een uitmuntend spoorwegnet, waarvan Maagdenburg en Halle de hoofdstations zijn.

Voor het onderwijs is gezorgd door een universiteit te Halle, een godgeleerd seminarium te Wittenberg, 27 gymnasia, een groot aantal middelbare scholen, een handelsschool, 12 kweekscholen voor onderwijzers en één voor onderwijzeressen, 5 doofstommen- en één blindenintsituut enz. De provincie is verdeeld in 3 distrikten en zendt 20 leden naar den Rijksdag en 38 naar het Pruisische Huis van Afgevaardigden. In militairen zin vormt de provincie het grootste gedeelte van het distrikt van het 4de legercorps. De staatkundige en militaire hoofdstad is de vesting Maagdenburg; de Provinciale Staten houden zitting te Merseburg. Het wapen van de provincie bestaat uit een schild, tienvoudig van gouden en zwarte strepen voorzien, terwijl een groene loofkrans schuin daaroverheen ligt.

Saksen-Altenburg' (zie de kaart bij het koninkrijk Saksen), een hertogdom van het Duitsche Rijk, ligt tusschen 50°43' en 51°7' N.Br. en 11°17' en 12°44' O.L. van Gr. Het bestaat uit 2 deelen, door het land van Reusz gescheiden, n.1. het oostelijke of Altenburgsche en het westelijke of Saal-Eisenburgsche. Het eerste is omsloten door het koninkrijk Saksen, de provincie Saksen en Reusz-Gera, het tweede door Schwarzburg-Rudolstadt, Saksen-Meiningen, Saksen-Weimar, Reusz-Gera en de provincie

i Saksen. Het eerste heett een

golvenden bodem, het tweede

is bergachtig en beslaat ge¬

deeltelijk de hoogvlakte van | Tliuringen. Het eerste be¬

hoort tot de vruchtbaarste

gewesten van Duitschland,het

tweede heett een schralen bodem, maar uitgestrekte wouden. Door het eerste stroomt de Pleisze met de Sprottau en de Wihra, door het tweede de Saaie. Ronneburg bezit

een minerale bron met badinrichting. Het hertogdom telt (1905) 206508 inwoners op een oppervlakte

Wapen van Saksen-Altenburg.

van 1323,52 v.km. (het eerste 145 106 inwoners op 657,23 v.km; het tweede 61 402 inwoners op 666,29 v.km.). Behalve Saksers vindt men er 20000 Wenden. Het hertogdom draagt bij tot instandhouding der universiteit te Jena; verder vindt men er 2 gymnasia, een hoogere burgerschool, een kweekschool van onderwijzers, een handelsschool, een kunst- en ambachtsschool, een technicum, een landbouwschool, 182 burger- en volksscholen enz.

Van de bosschen behooren 6476 H.A. aan den staat en 10 982 H.A. bij de hertogelijke domeinen. Verbouwd worden vooral haver, rogge, tarwe en aardappelen, verder voedergewassen, hooi, olievruchten enz. In het Saaidal houdt men zich met ooftbouw, in het O. gedeelte met tuinbouw bezig. Men telde in 1904:12 401 paarden, 67 745 runderen, 7 568 schapen, 77 681 varkens en 15 594 geiten. De bosschen bestaan grootendeels uit naaldhout. De mijnbouw levert vooral bruinkolen (1905: 42 mijnen met 3 164 arbeiders; uitsluitend in het O. gedeelte), en zand- en kalksteen. Er bestaan chamottefabrieken, pottenbakkerijen, fabrieken voor aarden pijpen en voor porselein (samen in 1905:133 bedrijven met 5466 arbeiders); verder bevinden er zich fabrieken voor naaimachines, gereedschappen, machines en toestellen (in deze takken van industrie: 4588 ar¬

beiders). Ook vindt men er textielindustrie (3115 arbeiders), onderscheiden papierfabrieken en vele looierijen. Verder worden houten voorwerpen, (vooral gedraaide knoppen en muziekinstrumenten, 102 ondernemingen met 3493 arbeiders) vervaardigd. Er bestaan ongeveer 50 brouwerijen; in de tabaksfabricage werken ongeveer 1400 personen. In het

W. gedeelte wordt worst gefabriceerd, verder tren men er fabrieken voor hoeden, vilten artikelen,

handschoenen en schoenen aan en meer dan 20

boek- en steendrukkerijen. De handel, vooral de

groothandel, is van belang. De belangrijkste han¬

delsplaats is Altenburg, ue nanaei worat gesreunu door een dicht net van spoorwegen.

De regeeringsvorm is er een constitutionneel-monarchale en berust op den grondwet van 29 April 1831. De tegenwoordige hertog Ernst, geboren den 16den September 1826, heeft den 3den Augustus 1853 het bewind aanvaard, en de vertegenwoordiging bestaat, volgens de wet van 2 Maart 1909 uit 32 rechtstreeks gekozen afgevaardigden: 11 uit de steden, 12 uit het platte land en 9 uit de hoogst aangeslagenen in de belasting. Kiezer is ieder staatsburger, die zijn 25ste levensjaar voleindigd heeft en directe belasting aan den staat betaalt; verkiesbaar elk, die 3 jaar als burger van het hertogdom is erkend. De afgevaardigden worden voor den tijd van

3 jaar gekozen. Het staatsbestuur is toevertrouwd aan een ministerie met 4 afdeelingen. De Evangelisch-Luthersche Kerk is er de heerschende. Men heeft er als hoogste instantie het Hof van Appèl te Jena. De begrooting bedroeg voor 1905—1907:

4 226 143 mark. Het militaire contingent van het hertogdom vormt het 88'15 Thuringsche regiment infanterie no. 153. In den Duitschen Bondsraad heeft het hertogdom een stem, en het zendt een afgevaardigde naar den Duitschen Rijksdag. De residentie van den hertog is Altenburg.

Altenburg was in de Middeleeuwen de hoofdplaats van het Pleisznerland, dat bij het Rijk behoorde en door rijksburggraven werd bestuurd; als zoodanig wordt het eerst in oorkonden genoemd de in de 12de

Sluiten