Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweging van de slede over het bed heeft op verschillende wijze plaats; bijv. bij de machine van Breuer en Schuhmaclier (fig. 1.) wordt zij door het riemstelsel 1, 2 en 3 op de stang F overgebracht. Boven de slede bevindt zich de beitel, bevestigd in een beiteldrager, support geheeten (fig. 1, D). Meestal heeft het schaven slechts bij de beweging in één richting plaats, bij het teruggaan wordt dan de beitel (in fig.

1 door middel van de schroef S) buiten werking gesteld. Ook brengt men wel toestellen aan, om het schaven bij de beweging in beide richtingen te doen plaats hebben, bijv. door aan den beitel twee sneden te geven, die afwisselend werken, of (zooals in fig. 1)

2 beitels te gebruiken, waarvan de eene bij de heengaande, de andere bij de teruggaande beweging werkt. De afstand van den balk, waarin de beitels bevestigd zijn, tot de slede kan willekeurig geregeld worden in verband met het te bewerken metaal.

Dit soort schaafmachines heeft het nadeel, dat de opstaande zijstukken alleen het bewerken van breede stukken metaal toelaten, wanneer de zijstukken zeer ver van elkander zijn verwijderd en de machine dus zeer groot en log is. Om dit nadeel uit den weg te ruimen, dient de zuilschaafmachine (zie fig. 2), waarbij het support S door den arm Q gedragen wordt, die verschuifbaar aan de zuil P verbonden is. Een praktische vijlmachine voor kleine werkstukken vertoont fig. 5, waarbij niet het te bewerken metaal

op ae slede, doch de slede met den beiteldrager bewogen wordt. Dit wordt bevestigd op de tafel T, die zich, om den afstand tot den beitel te regelen, verticaal langs Q kan bewegen. Op het onderstuk G. ligt de slede d met het support S, dat in heen- en weergaande beweging gebracht wordt.

In het algemeen werken de schaafmachines voor metaal met heen- en weergaande bewegingen, die voor hout daarentegen meestal door een draaiende beweging. Bij sommige soorten zijn de werktuigen op de oppervlakte van een om zijn as draaibaar prisma bevestigd, waarbij het hout in de richting van de vezels afgeschaafd wordt; bij andere zijn zij op een draaiende schijf geplaatst, zoodat het schaven loodrecht op de richting van de vezels plaats heeft. De eerste soort noemt men lang- of tangentiaalschaafmachines, de tweede soort dwars- of parallelschaafmachines. Bij beide soorten moet het werkstuk voortgeschoven worden. Fig. 8 vertoont een tangentiaalschaafmachine, waarbij het hout op de tafel gelegd en in de richting van de van messen voorziene wals voortbewogen wordt. Door de ronddraaiende beweging van d wordt het hout geschaafd.

Schaafmanier is de naam van een photomechanische reproduktiemethode, waarbij de teekening op ruw papier gemaakt wordt en de verlichte plaatsen met gladde en getande messen worden uitgeschaafd, waarna zij op den lithografischen steen of een zinken plaat overgedrukt of wel photografisch overgebracht kan worden.

Schaafstroo (Equisetum liiemale) is de naam van een geslacht uit de familie der Paardestaarten. Zie Paardestaart.

Schaakspel is een algemeen bekend bordspel, waarbij de overwinning niet behaald wordt door het toeval, maar door de scherpzinnigheid van den speler. Het stelt eigenlijk een veldslag voor. Twee legers van gelijke sterkte, namelijk 16 witte en even zooveel zwarte figuren staan op een bord, dat in 64 vierkante vakken is verdeeld. Elk der 2 spelers be¬

stuurt zijn leger en tracht daarmede zoo te manoeuvreeren, dat hij den koning van zijn tegenpartij mat (van het Arabische woord mal = dood) zet, dat wil zeggen, dezen zoo te omsingelen, dat hij geen enkel vak meer kan betreden en zich moet overgeven. Daarmede eindigt het spel. Genoemde 16 figuren aan iedere zijde zijn: de koning, de koningin, 2 raadsheeren of loopers, 2 paarden of ridders, 2 kasteelen en 8 boeren, knechten of pionnen. De acht voornaamste stukken staan op de twee het verst van elkander verwijderde rijen, en wel de kasteelen in de hoeken, dan de paarden, daarna de raadsheeren, de koningin op haar kleur (wit of zwart) en naast haar de koning. Op de beide volgende rijen staan de pionnen. De kasteelen bewegen zich in een rechte richting over beide kleuren, de raadsheeren, in het Fransch „fous" geheeten, in een schuinsche over de kleur, waarop deze geplaatst zijn, en de paarden springen schuins op het derde vak, daarbij steeds van kleur veranderend. De koningin volgt zoowel de wegen der kasteelen als die der raadsheeren en is het belangrijkste stuk; de koning beweegt zich in alle richtingen, maar slechts een enkelen stap, zoodat hij nooit verder gaat dan op een aanliggend vak. De pionnen kunnen bij den eersten zet een of twee vakken worden vooruitgeschoven, doch bij de volgende zetten slechts één vak; zij slaan rechts en links van het voor haar liggend vak. Het schaakbord wordt zóó geplaatst, dat ieder speler een wit hoekvlak der onderste rij aan zijn rechterhand heeft. De verschillende hoofdfiguren slaan alles, wat zich op plaatsen bevindt, die zij gerechtigd zijn te bezetten. Loopt de koning gevaar, bii een volgenden wf CPTinmon fa

^ , O — v l/U

worden, dan waarschuwt de tegensneler den P10-A-

naar van dat stuk met de woorden i ,,De koning schaak".

Wanneer en waar het schaakspel uitgevonden is, is niet bekend. Waarschijnlijk is het lang niet zoo' oud, als men vroeger algemeen aannam, en gaat het niet meer dan hoogstens 6 eeuwen voor onze jaartelling terug. Het is zeer waarschijnlijk, dat het spel uit Indië afkomstig is, waar het in verschillende vormen, meestal door 4 personen gespeeld, voorkwam. Daaruit ontwikkelde zich het Perzisch-Arabische schaakbord, en van den Perzischen koningstitel sjach is het woord schaakspel afkomstig. Het werd door de Arabieren naar Europa gebracht en tegen het einde der 15ae eeuw aanmerkelijk gewijzigd en verbeterd. Zoodoende ontstonden er onderscheiden werken over het schaakbord, zooals van Lucena (1497), Damiano (1512), Ruy Lopez (1567) Gianuzio (1597), Salvio (1604 en 1634), Carrera (1617) en Greco (1619). Italië en Spanje waren in de 16de en in den aanvang der 17ae eeuw het vaderland van de beroemdste schaakspelers, zooals Leonardo il Puttino, Paolo Boven Ruy Lopez. Van den Dertigjarigen Oorlog tot aan het midden der 18de eeuw werd in Europa weinig gespeeld, doch omstreeks laatstgenoemden tijd ontstonden in Frankrijk en Italië de scholen van Philidor en Ercole del Rio, en op hen volgden Stein in Nederland en Allgaier te Weenen. In de eerste helft van de 19de eeuw was het schaakspel in Engeland, Frankrijk, Duitschland en ons land algemeen in zwang, eerst in den laatsten tijd m Noord-Amerika. De wedspelen tusschen den Franschman Labourdonnais en den Ier Mac Donnell (1834) baarden veel opzien; in 1841 stichtte Staunton in Engeland een tijdschrift voor het schaakspel en

Sluiten