Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vast' j edelman van Dantumadeel. Daar hij standzijn ,• 6 Part'j der Saksers aankleefde, werd in 1515 inL S te Rinsumageest door de Gelderschen prj n°®en, en in 1546 verzette hij zich als lid der Privil 'tegen 's Keizers inbreuk op de

'egien en rechten des lands. Livius van Sehelta!fa'm 1B20 lid der rekenkamer en in 1637 secre-

acarl • ten van Friesland. Hij werd curator der Ant en^10 Praneker, trad in het huwelijk met

IRka ie Blocq en overleed den 17den December

2lateli de Blocq van Scheltinga, geboren den

recht ceml)er 1621. Nadat hij te Franeker in'de Va ïeu gepromoveerd was, volbracht hij een reis ])nj, ®e jaar door Frankrijk, Italië, Zwitserland en Van S n(^ en wei'd na zijn terugkeer in 1644 onttyerfe1l\8eneraal der provincie. Twee jaar daarna ^erd benoemd tot grietman van Schoterland en jn 1650 afgevaardigd naar de Generale Staten, der) aanvaardde hij de betrekking van curator jan °.gesehool te Franeker en overleed den 27Bten 19deunan 1704. Martinus von Scheltinga, geboren den

■^a v ik Uar^en een zoon van 11 voorgaande. ■\verci ?")raclite studiën reisde hij in Frankrijk en Sci, ,m 1682 grietman van Lemsterland, later van ivaid er d en bekleedde daarenboven te Leeu-

gen q "s s ixravennage aanzienlijke betrekkin

Jfer T V J uuiduux uci iiuugüsuiiuui ie natieeen' |11 1700 trad hij in het huwelijk met Amalia, Cteh 'K ï' van den beroemden Menno, baron van Afar?Prn> en overleed den llden December 1742. 1744 lVU" Van Scheltinga, geboren den 31sten Mei IVicsi. yerd in 1774 raadsheer in het Hof van

ijj 170" '1111' '5 gnetman van Kollumerland, trok Fries] -naar Overijsel, doch keerde in 1813 naar StatPai terug' werd er lid van de Provinciale

Sch Cn ?ver^eed den 18del1 April 1823.

S°d>'(.| e ®"a' Theodorus, een Nederlandsch Fr4^( ,''erdfi, geboren te Leeuwarden, studeerde te iiaeer '-^as achtereenvolgens predikant te Oosterin 175n\ mm' Aruin en te Arnhem en werd heid 1- 1er:oemd tot hoogleeraar in de godgeleerd^eermf 1 or'e en Oostersche talen teHarderwijk.

ittagnjc 1 "Bjaneaae nij ae DetreKKiDg van rector

Van dP 1 ' w.erd m 1765 op zijn verzoek ontheven 24»tea 'pefsen de Oostersche talen en overleed den tatio e?Trnari 1786. Hij schreef o.a. een „CommenA.bihU'Y17^qacucum"(1747) en „De fato Nadabi et

O 7 7 \ "V*

Vorigïf lnya» Gerlacus of Gerlof, een broeder van den ïranejjiP en 'n begm van 1708, studeerde te ')eide rp1)+n beiden, promoveerde in 1731 in de Deventp . en werd benoemd tot hoogleeraar te biuarj ®n in 1738 te Leiden,waar hij den 9dellFeftee" en ~ overleed. Hij heeft eenige „Dissertatiotiones (,'..ra*'iones" uitgegeven, evenals: „Emendalaei ai.- lnterpretationes ad commentarios Tliale-

_ — «AjXumrn, _ - , ■ , u n . . .

JSchei iuo jun&uuiisuiiorum uraecorum etc. . s°aiini„„ ziin hoopen, waarin bij het oogsten borden c , uurgewassen— 0. a. vlas — op het veld en een 8?Plaatst, nadat ze gesneden of getrokken .ng te k 'ni® a^"611 ^gedroogd zijn, ten einde ze zóó zijn, om"?"611 laten staan, tot ze voldoende droog nP driest tl worden ingehaald. Ze worden dikwijls ,Vai* bove° fn (Piramiden of ruiters) geplaatst en ^leedjes n Sedekt met riet, stroo, stroomatten of

t£|UB ]^Avi®°hduivel of Pitvisoh. (Calliony-

>• "w Grondels.

Schelvisschen (Gadidae) is de naam van een visschenfaniilie, bijna uitsluitend uit zeevisschen bestaande, ^ behoorende tot de orde der BeenvisscJien (Teleostei), onderorde der Weekvinnigen (Anacanthini). De leden dezer familie kenmerken zich door een min of meer langwerpig lichaam, kleine gladde schubben, een, twee of drie rugvinnen, welke bijna den geheelen rug innemen, één of twee anaalvinnen, kleme keelstandige buikvinnen, soms rudimentair, een breede mm of meer uitgesneden, zelden afgeron-

™ oKwwiivm, wijue jiieuwspieet, terwijl de kaken, de top van het ploegschaarbeen, bij enkele soorten ook de gehemeltebeenderen, gewapend zijn met kleine, hekelvormige tanden.Zij bewonen voornamelijk de ondiepe zeegedeelten en de kusten der gematigde luchtstreek en verbreiden zich tot over den poolcirkel; enkele geslachten zijn diepzeebewoners en hebben hun verbreidingsgebied tot bij den evenaar. Hun economische beteekenis is zeer belangrijk. Voor de visscherij in Europa en Noord-Amerika zijn

zii mede van de hplanp-riilrstpi vissnhpn vnnr rld ^-m]_

keren aan de Noordelijke IJszee wonende, de meest belangrijke. De voornaamste p-eslaoMen tot dpzo fa¬

milie behoorende zijn:

a. Gaclus. Deze hebben een middelmatig lang, met kleine schubben bekleed lichaam; drie rugvinnen, twee anaalvinnen, duideliik^psnlipid Pr) van dp ppmVs-

zins uitgesneden, breede staartvin; een smalle, tandendragende streep aan de bovenkaak, geen tanden aan de gehemeltebeenderen, één voeldraad aan de onderkaak. Hiertoe behooren:

1 . de bij ons goed bekende Kabeljauw (Gadus morrhua) (Duitsch: Kabeljau en Dorsch', de laatste de benaming van de kleiner blijvende Oostzee Kabeljauw; Eng.: Cod, Fransch: Morue of Cabillaud). Deze visch kan tot 1,50 m. lang en 40 kg. zwaar worden: on fmisaphtiV

grond is hij met talrijke, kleine, onregelmatige, vaak onduidelijke, bruine of geelachtige vlekken gestippeld; de zijdestreep is wit en de Vitte buik ongevlekt: de vinnen ziin bruin TW> Wonnr«r.

deeling is de meest gewone bij exemplaren van de Noordzee. De kabeljauw bewoont het noordelijk deel van den Atlantischen Oceaan, de TCV.nnWo Ho Onst.

zee en de aangrenzende gedeelten van de Noordelijke

uszee; uezuiugrens van zijn veroreiüirgsgebied ligt op ongeveer 40° N. Br. Hij komt dus niet voor in de Middellandsche Zee. Als ziin eis-enliike verhKifnlan+o

moet men aanmerken de onderste waterlagen tot op

ongeveer nuu m. uiepce. Aijn voedsel bestaat uit allerhande soorten van visschen, schaal- en schelpdieren ; zijn enorme vraatzucht maakt, dat hij weinig kieskeurig is en feitelijk naar alles hapt, wat hem maar eetbaar schijnt. Hij groeit snel en is reeds in het

ueiue levensjaar gesiaenisrijp. Uan zoekt Jllj de kusten en banken op, om daar te paaien, bij voorkeur op diepten van 25 tot 60 m. Bekende paaiplaatsen zijn: Newfoundlandbank, Rockall-bank, Faröerbank, de nabijheid van de Westman-eilanden bij IJsland' de Moray firth en het oostelijk deel der Noordzee in de nabijheid van het Skagerrak. De paaitijd duurt eenige weken, waarbij de vrouwelijke dieren bij tusschenpoozen 5—8 millioen eieren loozen. Deze zijn pelagisch, evenals de larven, die na 8—15 dagen er uit te voorschijn komen. Zijn de larven ongeveer 1 cm. lang, dau zoeken zij de diepere waterlagen op. Vooral op de Newfoundland-bank, bij IJsland en bij de Lofodden worden enorme hoeveelheden kabeljauw ge-

Sluiten