Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het groote wapen bevat de wapens van de verschillende deelen van het land, het kleine wapen en het stamwapen van Schwarzburg. Het wordt door 6 gekroonde helmen gedekt en door een wilden man en een wilde vrouw vastgehouden. De landskieuren zijn blauw en wit. In 1867 werd door de vorsten van de beide vorstendommen een gemeenschappelijke orde van verdienste in 4 klassen ingesteld, waarbij een eeremedaille in twee afdeelingen is gevoegd. Sedert 1899 wordt ook een medaille van verdienste (in goud en zilver) verleend.

De stamvader van het geslacht der graven von Schwarzburg was de Thüringsche graaf Günter, die naar men wil door Bonifacius tot het Christendom werd bekeerd. De beide hoofdlijnen SchwarzburgArnstacU (later Sondershausen) en SchwarzburgRudolstadt ontstonden in 1584. De stichter van de eerste lijn was Johann Günter, die in 1586 vier minderjarige kinderen naliet, die de vaderlijke goederen onderling verdeelden. Alleen de jongste dier broeders, Christian Günter I, had nakomelingen en wel 3 zonen, die de lijnen Arnstadt, Sondersliausen en Ebelében stichtten. Na het uitsterven van de beide andere lijnen (in 1669 en 1681), kwamen liaar bezittingen aan Sondershausen, waar de kleinzoons van Christian Günter I, Christian Wilhelm en Anton Günter II eerst samen regeerden en in 1681 hun gebied deelden, waardoor de lijnen Sondershausen en Arnstadt ontstonden. Beide vorsten werden in 1697 en 1710 in den rijksvorstenstand opgenomen. In 1713 ontstond een familieverdrag, dat een verdeeling der landen tegenging en toen Anton Günter II von Arnstadt in 1716 kinderloos overleed, viel zijn gebied ten deel aan Christian Wilhelm von SondershmisprL znndat, deze hoofdliin na dien tiid den naam

droeg van Schwarzburg-Sondershausen. In 1794 kwam Günter Friedrich Karl aan het bewind, die tot den Rijnbond toetrad, de souvereiniteit erlangde, zijn land in den Duitschen Bond deed opnemen en in 1835 opgevolgd werd door zijn evenzoo genoemden zoon. Deze gaf in 1841 aan het land een grondwet en voerde onderscheiden hervormingen in. Niettemin ontstonden in 1848 ook daar volksbebewegingen, zoodat het gebied door Saksische en Pruisische troepen werd bezet. Den 12aen Augustus 1849 werd een nieuwe vrijzinnige grondwet afgekondigd, welke den 8aten Juli 1857 gewijzigd werd. In 1866 koos Schwarzburg-Sondershausen de zijde van Pruisen en sedert 1871 behoort het tot het Duitsche Rijk. In 1909 overleed vorst Karl Günter zonder kinderen na te laten. Daar met hem de lijn Sondershausen uitstierf, ging volgens het verdrag van 1713 de regeering over op Günter von Schwarzburg-Rudolstadt. Beide vorstendommen zijn thans door een personeele unie verbonden, doch blijven afzonderlijke bondsstaten.

De andere hoofdlijn Schwarzburg-Rudolstadt werd gesticht door Albrecht VII. Alleen de tweede van zijn vier zonen had nakomelingen. In 1793 kwam Ludwig Friedrich aan het bewind, die in 1807 overleed. Gedurende de minderjarigheid van den erfprins voerde diens moeder Karoline Louise, geboren van Hessen-Homburg, het bewind tot in 1814. Toen de jonde vorst, Friedrich Günter zelf aan het bewind kwam, verleende hij het land in 1816 een grondwet. Ook daar bleven in 1848 de woelingen niet uit. Een nieuwe grondwet, die in hoofdzaak nog bestaat, kwam den 21sten Maart 1854 tot stand. In 1866 trad

het land tot den Noord-Duitschen Bond, in 1871 tot het Duitsche rijk. In 1870 moest de regeering een democratische kieswet invoeren. Daar de tegenwoordige vorst Günter geen zoon heeft, werd den 21"tcn April 1896 prins Sizzo von Leutenberg als opvolger erkend, die ook door Schwarzburg-Sondershausen als troonopvolger werd aangenomen. Na den dood van Karl Günter von Schwarzburg-Sondershausen in 1909 volgde Günter aldaar op.

Schwarzenberg1 is de naam van een oud Frankisch geslacht, dat oorspronkelijk den naam van Seinsheim droeg en in 1429 in den stand der Rijksvrijheeren werd opgenomen. Johann (1742— 1789) liet twee zonen na, waardoor het huis in twee majoraten gesplitst werd. De vertegenwoordiger van het eerste is Adolf Joseph von Schwarzenberg, geboren in 1832, van het tweede Karl von Schwarzenberg, geboren in 1859. Het vorstendom Schwarzenberg beslaat het dertigste gedeelte van Bohemen, en daartoe behooren nog bezittingen in Beieren, Neder-Oostenrijk, Salzburg en Stiermarken met een gezamenlijke uitgestrektheid van 204 388 H.A. Het land in Bohemen omvat 20 domeinen.

Schwarzenberg, Karl, prins von, hertog von Krumau, een Oostenrijksch veldmaarschalk, geboren te Weenen den 15den April 1771, trad in 1788 als luitenant in dienst bij het Oostenrijksche leger, onderscheidde zich in 1789 in den oorlog tegen de Turken, nam in 1792 als majoor deel aan den slag bij Jemappes en droeg in 1794 veel bij tot de

overwinning bi] unateau-uamoresis. iia ue vmtochten van 1795 en 1796 werd hij generaal-majoor. In 1800 voerde hij als luitenant-veldmaarschalk bevel bij Hohenlinden en dekte daarop den aftocht achter de Enns. Gedurende den vrede werd hij met onderscheiden zendingen belast en in Maart 1805 tot vice-president van den hofkrijgsraad benoemd. Bij het uitbreken van den nieuwen oorlog tegen Frankrijk wist hij bij Ulm zich met het grootste gedeelte der cavalerie door den vijand heen te slaan. In 1801 ging hij als gezant naar Petersburg, maar verscheen in 1809 twee dagen voor den slag bij Wagram in het Oostenrijksche leger, nam het bevel op zich over een gedeelte der ruiterij en commandeerde bij den terutocht de achterhoede. Als generaal der cavalerie en gezant te Parijs bestudeerde hij de onderhandelingen over het huwelijk van Napoleon 1 met Maria Louisa en verwierf het vertrouwen van Napoleon. Door tusschenkomst van dezen verkreeg hij in den Russischen veldtocht het opperbevel over de Oostenrijksche hulptroepen. In April 1813 deed hij vruchtelooze pogingen, om tusschen Rusland en Frankrijk den vrede tot stand te brengen. Daarna werd hij bevelhebber van het observatieleger in Bohemen en na Oostenrijks oorlogsverklaring aan Napoleon over alle troepen der Verbonden Mogendheden. Zijn positie naast de drie monarchen bij de zeer verschillende gevoelens van Metternich en keizer Alexander was zeer moeilijk en belemmerend voor zijn oorlogsoperatiën. Bij Dresden en Leipzig gaf hij geen blijken van groote veldheerstalenten en hij ondersteunde vooral bij het vervolgen der Franschen en den intocht in Frankrijk in 1814 de sluwe politiek van Metternich die Napoleon wilde sparen. Eerst na den slag bij Arcis sur Aube besloot hij, naar Parijs op te rukken en zich van deze stad meester te maken. Na den terugkeer van Napoleon uit Elba kreeg hij het opper-

Sluiten