Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Seebach, Karl von, een Duitsch geoloog, geboren te Weimar den 13aen Augustus 1839, studeerde te Breslau, Göttingen en Berlijn, werd in 1863 buitengewoon hoogleeraar te Göttingen, deed van 1864 —1865 een reis naar Costarica en in 1866 naar de Egeïsche Zee. In 1870 werd hij gewoon hoogleeraar. Hij overleed den 21sten Januari 1878. Behalve talrijke kleine verhandelingen en artikelen over de vulkanen van Centraal-Amerika, over Santorino, Bornholm en onderwerpen uit de palaeontologie, schreef hij nog: „Der hannoversche Jura" en „Das raitteldeutsche Erdbeben vom 6. Marz 1872". Uit zijn nalatenschap gaf H. Wagner het onvoltooide werk: „Ueber die Vulkane Centralamerikas"(1892) uit.

Seeberg-, Reinhold, een Luthersch godgeleerde, den 5den April 1859 te Peurrafer (Lijfland) geboren, trad in 1884 te Dorpat als privaatdocent op, werd in 1889 hoogleeraar in kerkgeschiedenis en nieuwtestamentische exegese en in 1894 in systematische theologie te Erlangen en in 1898 te Berlijn. Zijn voornaamste werken zijn: „Lehrbuch der Dogmengeschiclite" (2 dln., Leipzig, 1895—1898), „Die Theologie des Duns Scotus"(Leipzig, 1900), „Die Grundwahrheiten der christlichenReligion"(4de druk,Leipzig, 1906), „Aus Religion und Geschichte", gesammelte Aufsatze und Vortrage"(Leipzig, 1906).

Seel, Adolf, een Duitsch schilder, den l8ten Maart 1829 te Wiesbaden geboren, studeerde van 1844—1850 aan de academie te Düsseldorf en daarna gedurende een jaar te Parijs en voltooide zijn opleiding in 1864 en 1865 in Italië. In 1870 en 1871 bereisde hij Spanje, Portugal en de noordelijke kuststreek van Afrika en in 1873 en 1874 den Levant, waar zijn liefde voor het architektuur-schilderen volop voedsel vond. Zijn architektuur-stukken hebben een voortreffelijke perspectief, belichting en kleur. Onder de oudere munt uit: „Het inwendige van een Byzantijnsche kerk"(1862), onder de latere: „Doopkapel in San Marco", „De Egyptische harem"(1878) en „Slavenhandel in Kaïro"(1895).

S ieland, in het Deensch Sjalland, het grootste en belangrijkste van de Deensche eilanden, is omringd door het Kattegat, den Oeresund, de Oostzee en den Grooten Belt.Door delsef jord, die tot 60 km. diep in het land doordringt en zich in 2 armen verdeelt, van welke de westelijke dien naam behoudt, terwijl de oostelijke dien van Roeskildef jord draagt, worden 3 schiereilanden gevormd, Honisherred, Odsherred en Sjallands Odde. Ten zuiden is Seeland door de Ulvsund en de Vordingborgbaai van de eilanden Möen en Falster gescheiden.Ten noordwesten, bij den Grooten Belt, vindt men tusschen de schiereilanden Asnas en Refsnas de Kallundborgfjord, en tusschen Refsnas en Odsherred de groote Seieröbaai. De lengte van het eiland bedraagt 13 en zijn grootste breedte 109 km. Zijn oppervlakte is met die van de nabijgelegene eilanden Möen, Samsö, Amak, Seierö, Sprogö, Masnedö en een aantal kleinere, die alle administratief met Seeland verbonden zijn, 7409 v. km., het aantal inwoners bedraagt (1906) 1026 119. De oppervlakte van Seeland alleen bedraagt 6945 v. km. De bodem van Seeland is in het algemeen laag, golvend en bijna overal vruchtbaar. In het zuidoostelijk gedeelte van het eiland verhelen zich eenige heuveltoppen, ten noorden daarvan vindt men eenige kalkgesteenten. Vanhier strekt zich oostwaarts een vruchtbaar landschap uit, dat aan zee in een krijtberg, den Stevsklint (40 m. hoog), eindigt.Ten noor¬

den van dit laatste heeft men wederom een groote vruchtbare vlakte. Het noordoostelijk schiereiland is heuvelachtig en bezit fraaie wouden en schilderachtige meren. Ook hier zijn heuvels ter hoogte van 70 en 80 m. met prachtige vergezichten. Verder zuidwaarts heeft men heuveltoppen ter hoogte van 110 tot 130 m., en ook in de omstreken van Sorö heeft men aanzienlijke heuvels. Tot de rivieren van Seeland behooren de Suus-Aa en de Aamose-Aa. Men verbouwt er veel graan, vooral gerst en rogge. Op het eiland vindt men een aantal spoorwegen. Seeland en de nabijgelegene eilanden zijn uit een administratief oogpunt verdeeld in de hoofdstad Kopenhagen en 5 ambten. Het bisdom Seeland, het voornaamste van Denemarken, omvat al die eilanden met uitzondering van Samsö, alsmede Bornholm, de Faröer en de Groenlandsche Koloniën.

Seeley, sir John Robert, een Etigelsch schrijver, geboren omstreeks het jaar 1834 te Londen, ontving zijn opleiding aldaar, studeerde te Cambridge, werd leeraar aan de hoogeschool en zag zich in 1863 benoemd tot professor in de Latijnsche letteren te Londen. Sedert 1869 was hij hoogleeraar in de nieuwe geschiedenis te Cambridge, waar hij den 14den Januari 1895 overleed. Hij schreef: „Ecce homo, a survey of the life and work of JesusChrist"(1865), „Classical studies"(1864), „Lectures and essays"(1870 en 1895), „Life and times of Stein"(3 dln., 1878), „Natural religion"(1882), „The expansion of England" (1883), „Goethe reviewed after sixty years"(1894), „The growth of British policy"(2 dln., 1895), „hitroduction to politicalscience"(1896) en „Ethics and religion"(1900).

Seelig-er, Ilwgo, een Duitsch sterrenkundige, den 23sten September 1849 te Biala geboren, werd in 1871 assistent aan de Leipziger sterrenwacht en in 1873 observator te Bonn. Hij was in 1874 leider van de Duitsche expeditie naar de Aucklands-eilanden tot waarneming van den Venus-overgang, werd in 1881 directeur van de sterrenwacht te Gotha en in het volgende jaar hoogleeraar in de sterrenkunde en directeur van de sterrenwacht te München. Zijn voornaamste werken zijn: „Zur Theorie der Doppelsternbewegungen"(Leipzig, 1872), „Zur Theorie der Beleuchtung der grossen Planeten, insbesondere des Saturns"(1887), „Ueber Zusammenstösse und Teilungen planetarischer Massen"(1890), „Theorie der Beleuchtung staubförmiger kosmischer Massen, insbesondere des Saturnrings"(1893), „Raumliche Verteilung der Fixterne"(1899) en „Die absolute Bewegung"(1906).

Seeinann, Bertold, een Duits ch-Engelsch reiziger en natuuronderzoeker, geboren te Hannover den 28sten Februari 1825, bezocht het lyceum aldaar, legde zich vooral toe op de plantkunde en zag zich door de Britsche admiraliteit als natuurkundige geplaatst bij de expeditie op den „Herald", zoodat hij van 1847 tot 1851 West-Indië, de landengte van Panama, de Andes van Peru en Ecuador, het westen van Mexico, de Noordelijke IJszee, de Sandwicheilanden, Kaapland enz. bezocht, begaf zich in 1860 naar de Fidsji-eilanden en reisde van 1864 tot 1866 in Venezuela en Centraal-Amerika. Hij overleed te Javali in Centraal-Amerika den 10den October 1871. Hij schreef: „Narrative of the voyage of II. M. S. Herald"(2 dln., 1852), „Flora of Esquimauxland" (1852), ,,Viti"(1862), „Flora Vitiensis"(1862), „Dottings of the roadside"(1868), „Popular history of the

Sluiten