Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

palms"(1855, 2de druk, 1868), „Hannoverische Sitten und Gebrauche in ihren Beziehungen zur Pflanzenwelt"(1862) en een aantal andere werken. In 1853 richtte hij het tijdschrift „Bonplandia" op, dat van 1864—1871 in Engeland als „Journal of British and foreign botanv" voortgezet werd.

Ségalas, Anais, geboren Menard, een Fransch dichteres, werd geboren te Parijs in 1814 en leverde de dichtbundels: „Les Algériermes"(1831), „Les oiseaux de passage"(1836), ,,Poésies"(1844), „Enfantines poésies a ma fille"(1844), „La femme" (1847) en „Nos bons Parisiens"(1865). Verder schreef zij de romans: „Les mystères de la maison" (1865) en „Les magiciermes d'aujourd'hui"(1869), alsmede de bundels novellen: „La semaine de la Marquise"(1865) en „La vie de feu"(1875) en eindelijk de tooneelwerken: „La loge de l'opéra"(1847), „Les absents ont raison"(1852) en „Le trembleur" (1849). Ook schreef zij feuilletons in de bladen: „Corsaire", „Dimanche", „Petit Journal", „Illustrateur des Dames" enz. Zij overleed in 1895 te Parijs.

Segantini, Giovanni, een Italiaansch schilder, den 15den Januari 1858 te Arco geboren, verloor vroegtijdig zijn ouders en hoedde daarop de varkens in een naburig dorp. Nadat zijn talent door teekeningen van zijn dieren aan het licht was gekomen, kwam hij in Milaan, waar hij zijn opleiding genoot. Zijn eerste succes behaalde hij met een binnenaanzicht van het koor van Sant' Antonio, dat hij vermeerderde door enkele genrestukken uit het Milaansche volksleven. Spoedig wendde hij zich echter tot het schilderen der bewoners van de Italiaansche Alpen, aan wie zoovele herinneringen uit zijn jeugd hem bonden. Hij schildert ze in hun moeilijken strijd tegen een schrale natuur, bij het verzorgen van het vee, het hooien, dikwijls slechts als stoffage voor de grootsche bergpartij en, wier bouw en atmosfeer hij als geen ander weergeeft. Later schilderde hij ook zinnebeeldige voorstellingen. Zijn wijze van schilderen, die dunne lagen van ongemengde kleuren als het ware opeen metselt, herinnert aan de pointillage (zie Neo-Impressimisten). Tot zijn belangrijkste stukken stukken behooren: „Ave Maria te Trasbordo" (Rome), „Droevig uur" (Berlijn) en „Ploegen" (München). Hij overleed den 288ten September 1899 te Samaden.

Seger, Eermann, een Duitsch technoloog, den 26ate" December 1839 te Posen geboren, studeerde vanaf 1859 in de scheikunde te Berlijn, trad daarna op als leider van de aluin- en vitrioolfabriek Kreuzkirchen bij Neuwied en wijdde zich na 1869 aan de aardewerk-fabricage. Na praktisch werkzaam te zijn geweest, aanvaardde hij in 1871 de redactie van het „Notizblatt des deutschen Vereins für Fabrikation von Ziegeln, Tonwaren, Kalk und Zement", als ook die van de „Deutsche Töpfer- und Zieglerzeitung", benevens de leiding van het aan de laatste verbonden scheikundig laboratorium. In 1878 werd hij belast met de leiding van het proefstation van de koninklijke porseleinfabriek bij Berlijn, waar hij het naar hem genoemde Seger-porselein en het namaken van het Chineesche roode koperoxyduulglazuur uitvond. Vanaf 1890 wijdde hij zich weer aan de door hem in 1878 mede opgerichte „Tonindustriezeitung". Daarin publiceerde hij o.a.: „Ueber Glasuren mit besonderer Berücksichtigung bleifreier für Steingut" (1884 en 1890) en „Normalkegel für die

Bestimmung der Temperaturen in den Öfen der keramischen Industrie" (1886). Hij overleed den 30sten October 1893 te Berlijn.

Segesser, Anton Philipp von, een Zwitsersch staatsman en geschiedschrijver, geboren te Luzern den 3den April 1817, studeerde te Bonn, Berlijn, Heidelberg en Parijs, was van 1841—1847 secretaris van den regeeringsraad, was sedert 1848 steeds lid van den Nationalen Raad, van 1863—1867 en van 1871 -—1888 van den Regeeringsraad. In 1872 werd hij schout te Luzern. Hij behoorde tot de Ultramontaansche partij. Hij overleed te Luzern den 308ten Juni 1888. Van zijn werken noemen wij: „Beitrage zur Geschichte des innern Krieges in der Schweiz"(1847), „Rechtsgeschichte der Stadt und Republik Luzern" (4 dln., 1851—1858), „Ludwig Pfyffer und seine Zeit"(3 dln., 1880—1882), „Sammlung kleiner Schriften"(3dln., 1877—1879) en „Fünfundzwanzig Jahre im luzernischen Staatsdienst"(1807). Buitendien redigeerde hij 4 deelen van de „Amtliche Sammlung der iiltern eidgenössischen Abschiede 1245— 1520"(1858—1874). Na zijn dood verschenen „Erinnerungen"(1891).

Segesta of Egesta, in de Oudheid een stad op het eiland Sicilië, ten zuiden van Drepanon, werd volgens de sage door vluchtende Trojanen gesticht en moest, als een niet-Grieksche plaats, bij voortduring strijd voeren tegen de Grieksche koloniën van het eiland, vooral tegen Selinus. Zij zocht hulp bij de Carthagers, die van deze gelegenheid gebruik maakten, om de stad in bezit te nemen. De Carthagers werden door Agathokles verjaagd, doch na de willekeurige heerschappij van dezen ontving Segesta weldra weder een Carthaagsche bezetting. Gedurende den Eersten Punischen Oorlog werd deze door de inwoners van Segesta omgebracht en de stad overgegeven aan de Romeinen, die haar vrij verklaarden en met landerijen begiftigden. Nu bereikte de stad, die in het bezit was van een haven, door handel en scheepvaart een aanzienlijke mate van welvaart. In haar nabijheid bevonden zich warme minerale bronnen. De overblijfselen van Segesta vindt men thans ten noorden van Calatafimi, en wel het sedert 1822 opgedolven theater op een hooge, vooruitspringende rots, met 20 rijen zitplaatsen en een prachtigen Dorischen tempel, van welken de beide gevels en al de zuilen, 36 in getal, bewaard zijn gebleven.

Segestes, vorst der Cheruskers, een vijand van Arminius, die hem zijn dochter Thusnelda ontvoerd had, waarschuwde in het jaar 9 n. Chr. Yarus vóór den slag in het Teutoburger Woud te vergeefs tegen het dreigend gevaar; hij werd vervolgens in zijn burcht door Arminius belegerd, maar door Germanicus ontzet, die hem een woonplaats in de provincie Gallia aanwees.

Seghers, Hercules (ook Segers), een Hollandsch landschapschilder en etser, werd geboren in 1589 en overleed te Amsterdam in 1645. In 1607 was hij leerling van Gilles van Coninxloo te Amsterdam. Omstreeks 1633 werkte hij gedurende eenigen tijd te 's Gravenhage. Omtrent het leven van Seghers is heel weinig bekend; hij leefde in droevige omstandigheden. Ondanks zijn genialiteit kon hij tijdens zijn leven geen afnemers voor zijn werk vinden, hij had leerlingen, noch navolgers. Zijn geschilderde landschappen zijn vaak met die van Rembrandt verward. Seghers was vooral als etser een kunstenaar van beteekenis. Hij beet zijn platen zeer

Sluiten