Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sociaaldemocratische partij, welke twee partijen zich op een congres te Indianapolis in 1900 tot de Socialistic Partij vereenigden. Zij hebben echter weinig invloed.

Sociale Aotie, Katholieke, afgekort tot K. S. A., noemt men het streven naar een hervorming van de maatschappij, gegrond op de Christelijke solidariteitsidee. Daarbij verwacht men een oplossing van de sociale kwestie (zie aldaar) door de praktische toepassing van de Christelijke wereldbeschouwing op oeconomisch, sociaal en politiek leven. In 1905 werd in ons land de Vereeniging voor de Katholieke Sociale Actie georganiseerd. Zij tracht te werken door plaatselijke comité's, waarin leden van aangesloten vereenigingen zitting hebben, door 5 diocesane comité's, gevestigd te Utrecht, Haarlem, 's Hertogenbosch, Breda en Roermond, die door de voorzitters en de secretarissen van de plaatselijke comité's gevormd worden, door de centrale vergadering, waartoe de voorzitters en de secretarissen van de diocesane comité's, benevens de algemeene secretaris behooren, en door het ceritraal-bureau te Leiden. Dit centraal-bureau houdt zich o. a. bezig met het opstellen en verspreiden van vlugschriften, het doen optreden van sprekers, het geven van adviezen en inlichtingen over sociale onderwerpen, het organiseeren van jaarlijksche bijeenkomsten, het samenstellen van een bibliotheek enz.

Sociale adviezen, Centraal-bureau voor. Zie Bureau, Centraal, voor Sociale adviezen.

Sociale kwestie is in de meest gebruikelijke beteekenis de vraag, hoe de toestand van den bezitloozen werknemer, die in dienst van een werkgever is, verbeterd kan worden. Hierbij denkt men niet alleen en niet ia de eerste plaats aan een materieele, maar aan een maatschappelijke, zedelijke, oeconomische en geestelijke verbetering.Ook heeft de uitdrukking een meer algemeene beteekenis en spreekt men van een sociale kwestie, wanneer de oeconomische toestand van een bepaalde maatschappelijke klasse niet beantwoordt aan de eischen, die deze klasse stelt. Zoo bijv. heeft men de kwestie van de kleinwinkeliers, van den boerenstand, de vrouwenkwestie enz. Gewoonlijk echter denkt men bij de sociale kwestie aan de loonarbeiders. Zie hiervoor Arbeidersbeweging en Sociale staatkunde.

Sociale staatkunde noemt men in het algemeen de houding van den Staat en andere openbare lichamen ten opzichte van de sociale kwestie (zie aldaar). Meestal beschouwt men de sociale staatkunde in verband met het arbeidersvraagstuk en verstaat er dan de maatregelen onder, die een verbetering van den toestand van de arbeiders en een bescherming tegen de nadeelen en gevaren van de tegenwoordige arbeidsverhoudingen beoogen. In de sociale staatkunde bestaan er verschillende richtingen. Zoo vat bijv. de Manchestersche richting het arbeidersvraagstuk als een zuivere loonkwestie op en beschouwt het als de voornaamste taak van de sociale politiek de loonen beter te regelen, waardoor volgens haar de overige misstanden van zelf zullen verdwijnen. De meeste aanhangers van deze richting vinden een ingrijpen van de overheid met betrekking tot arbeidersbescherming en arbeidersverzekering niet noodzakelijk. Lijnrecht

tegenover deze richting staat het socialisme met de meening, dat bij den tegenwoordigen oeconomischen toestand, die op privaatbezit en vrije concurrentie berust, een verbetering uitgesloten is; alleen gemeenschappelijk grondbezit en een productie, gegrond op gemeenschappelijk eigendom, kan volgens haar verbetering brengen. Tusschen deze beide uiterste richtingen staat de weg van de sociale hervorming, die geen opheffing van het privaatbezit, doch wel een ingrijpen van den Staat wiL Zij wenscht, dat Staat en Maatschappij samen door wetgeving en vrijwillige medewerking de misstanden gezamenlijk uit den weg zullen ruimen, bijv. door beschermende wetten voor de arbeiders, gedwongen verzekering, wettelijk toezicht op fabrieken enz.

Socialisme. Zie Socialistische stelsels en theorieën en Sociaaldcmocratie.

Socialistische beweging: in Nederland. In ons land ontstond eene socialistische beweging eerst zeer laat en wel onder den invloed van onze zuidelijke naburen, die van hun kant met het socialisme door hunne Fransche naburen hadden kennis gemaakt. De vroeger hier en daar in het leven geroepen Christelijke communistische organisaties (te Zwijndrecht, Waddinxveen, Boskoop, Mijdrecht, 1832—1840) waren uiteengespat. Enkele vakvereenigingen waren opgericht, maar hadden weinig leden, toen enkele werklieden door Vlaamsche geschriften en redenaars kennis namen van het bestaan der in 1864 opgerichte Internationale Arbeidersbond (Association internationale des travailleurs). In 1869 kwamen het eerst te Amsterdam, geholpen door de vereeniging „de Dageraad", eenige werklieden bijeen, die de eerste Nederlandsche sectie van de Internationale (zie aldaar) oprichtten. Rotterdam, Utrecht en 's Gravenhage volgden dit voorbeeld. Men beschikte over drie organen „de Werkman", dat te Amsterdam, „de Toekomst" en „de Vrijheid", die te 's Gravenhage uitkwamen. Waar eene werkstaking uitbrak, stonden de leden der nieuwe secties vooraan. Immers de vrijmaking van de arbeidende klasse (zoo luidde het program der Internationale) moest van de werklieden zeiven uitgaan. Tegen het onbillijke van onze wetgeving op de werkstakingen werd geprotesteerd. De gebeurtenissen te Parijs (de Commune van Maart-Mei 1871) vonden bij een groot deel der arbeiders slechts geringe sympathie. Toen den 28sten Mei 1871 het derdo Nederlandsche werkliedencongres werd geopend, repte de voorzitter zelfs met geen enkel woord over de terechtstellingen, die slechts eenige dagen vroeger te Parijs hadden plaats gevonden.

In 1872 kwam reeds het einde der internationale beweging, toen op het congres te 's Gravenhage de anarchistische fracties zich afscheidden. Grooten ingang had de Internationale hier evenwel niet gevonden. Inmiddels was in plaats van de Internationale het Nederlandsch Werkliedenverbond getreden, dat den 25s,ei1 en 268'011 December 1872 te Amsterdam zijn eerste vergadering hield onder leiding van den voorzitter B. 11. Ileldt. Dit verbond betrad evenwel niet den socialistisclien weg en blijft dus verder buiten bespreking. Uitdrukkelijk keerde het zich van het sociab'sme af, toen het congres te Utrecht deL 9den en 10aen Juni 1878 weigerde op een bespreking in te gaan van de theoretische stellingen van het in 1875 vastgestelde program van Gotha van do

Sluiten