Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tikel Collectivisme werd uiteengezet, omvat het Socialisme. als tegenstelling van het Individualisme (zie ook onder dat laatste woord), zoowel het Collectivisme als het Communisme (zie ook onder dit woord). Collectivisme beteekent de vervanging van het private kapitaal door het collectieve kapitaal d. w. z. de vervanging van de tegenwoordige productiewijze door een nieuwe, die gebaseerd op den collectieven eigendom van alle productiemiddelen in handen van de maatschappij, een sociale, collectieve organisatie van den nationalen arbeid ten gevolge zou hebben. Nog meer dan de collectieve eigendom van alle productiemiddelen is het de socialisatie der productiewijze, die het essentieele van het collectivisme uitmaakt. Het Communisme beoogt naast de socialisatie der productiemiddelen den collectieven eigendom van alle genotmiddelen. In den laatsten tijd komt men er hoe langer hoe meer toe om collectivisme en socialisme synoniem te maken en daarmede het communisme uit te schakelen uit de socialistische stelsels. Die weg zal evenwel in de volgende kolommen niet gevolgd worden. Evenmin als alle communisten hebben alle collectivisten eenzelfde ideaal. Vooral voorheen kwamen sommige communistische denkbeelden zoo dicht bij het collectivisme, dat de grens zeer moeilijk te trekken valt.

De eerste socialistische literatuur moeten wij niet zoeken in philosofische of economische werken, die in het afgetrokkene de voor- en nadeelen van verschillende maatschappelijke stelsels behandelden. De vroeger veel gebruikte vorm om zijn denkbeelden op dit gebied weer te geven, was de staatsroman, de schildering van een ideale samenleving en van een idealen staat. Van deze noemen wij de volgende: Plato: „de Staat" en „de Wetten"; Thomas Morus: „Utopia" (1516); Campanella: „Civitassolis" (1610); James Harrington: „Oceana" (1656); Denis Vairasse „Histoire des Sevarambes" (1677); Etienne Cabet: „Vovage en Icarie" (1840). Van de latere geschriften van dien aard noemen wij: Bellamy: „Looking backward" (1888); Theodor Hertzka: „Freiland" (1890). Bestrijding van den bijzonderen eigendom heeft vóór de 19de eeuw niet alleen in staatsromans plaats gevonden. Reeds in de eerste eeuwen van het Christendom hadden zich sekten en orden gevormd met communistische neigingen. In de Middeleeuwen leidden economische en geestelijke oorzaken tot de oprichting van pieuse stichtingen, van nieuwe congregaties (o. a. de broeders des Gemeenen Levens), tot de hervorming van sommige kloosterorden, maar gaven ook den stoot tot de communistische gemeenschappen der Wederdoopers, zoowel in Zwitserland, in Moravië, in Zuid-Duitschland als in Nederland. Ook deze richting kan men nog in de 19d8 eeuw terugvinden in de talrijke godsdienstig-communistische kolonies van Noord-Amerika.

Na de onderdrukking der Wederdoopers en na de staatsromans der 16de en 17de eeuw vertoont zich de socialistische idee eerst weder bij de Fransche philosofen der 18de eeuw. Rousseau o.a. geeft zoowel in zijn in 1753 verschenen „Traité sur 1'origine de 1'inégalité parmi les hommes" als in zijn „Contrat social" (1762)blijken dat hij in den persoonlijken eigendom de bron ziet van alle onrecht. In diezelfde richting schreven Mably: „De la Législation ou principe des lois" (1776) en Linguet: „Théorie des lois civiles" (1767). Het is uiterst moeilijk aan de Fransche revolutie en hare leiders een socialistisch karakter toe te kennen,

XIV

hoewel soms eischen worden gesteld, die in het socialistisch kader hooren. De man, die in dezen tijd onze aandacht trekt, is Gracchus Babeuf (zie onder Communisme), die gedurende zijn gevangenschap een volledig communistisch stelsel uitdacht. Zijn poging om zich van het gezag meester te maken mislukte en bracht hem onder de guillotine. Eerst onder de Restauratie duikt het socialisme weder op en wel tegelijk in Frankrijk, Duitschland en Engeland. Onder de voorloopers van het hedendaagsch socialisme staat vooraan Claude Hmri, graaf de SaintSimon. Hot mag betwijfeld worden of diens eenigszins verwarrende geschriften den schrijver zoo bekend en beroemd zouden hebben gemaakt als het gevolg was van zijn persoonlijke inwerking op zijn leerlingen en door hun mond op de velen, tot wie zij spraken. In vele zijner werken, (bijv. in „Réorganisation de la société européenne"(1814), spreekt hij van een tegenstelling van de industrieelen tot de wetgevers en den adel, alsof het sociale belang van de economische productieve klassen, van de ondernemers en de arbeiders volkomen hetzelfde ware. De taak om op te komen voor de noodlijdenden schijnt eerst in de laatste jaren zijns levens op den voorgrond te treden. In zijn in 1825 verschenen „Nouveau christianisme" richt hij zich als profeet tot de vorsten „Hoort de stemme Gods, die tot U door mijn woord spreekt, dat God den machtigen dezer aarde beveelt, al hunne krachten te gebruiken om het welzijn der armen te verhoogen". „De katholieke Kerk heeft tot nog toe veel te veel uit het oog verloren, dat de menschen elkander als broeders moeten liefhebben." Dat ideaal is te bereiken als alle menschen verplicht worden te werken. Aan deintellectueelen komt dan de geestelijke leiding der maatschappij toe.

Na zijn dood hebben zij, die hem in de laatste jaren van zijn behoeftig leven omringden, zich aangegord door woord en geschrift de meeningen des grooten meesters te verbreiden en te verklaren. En eerst hun werk spreekt de duidelijke taal van het socialisme. Onder die leerlingen moeten genoemd worden Amand Bazard, Barthélemy Prosper Enfantin, Olinde Rodrigues. Eerstgenoemde nam op zich een samenhangend overzicht te geven van „la religion de Saint-Simon", dat hij in 1828—1830 in twee deelen uitgaf onder den titel „Doctrine de St.Simon". Het program, dat het Saint-Simonisme zich stelde, treft door den moed der overtuiging, door het vuur der welsprekendheid en ook door de gedeeltelijke gegrondheid der kritiek op het bestaande.

Tegelijkertijd doet in Frankrijk ook CharlesFourier zijn stem hooren. Reeds in 1808 had hij aanbevolen: opheffing van de huishouding der enkelen en vervanging van deze door de sociétaire, d. i. door een organisatie der menschheid in groepen, waarvan de leden elkaar in economisch opzicht aanvullen. Die groepen (de bekende phalanges) zouden over het heele land verspreid zijn, in hoofdzaak op den landbouw berusten en tezamen wonen in phalanstères. Aangezien al het kwade in de maatschappij ontstaat door het feit, dat de menschen niet kunnen voldoen aan den hun ingeboren aandrang, zou in die kazernes iedereen het beroep uitoefenen, waartoe hij zich innerlijk gedreven achtte. Deze denkbeelden werden uitvoerig uiteengezet in zijn „Théorie des quatre mouvements" (1808) en in zijn: „Le nouveau monde industriel et sociétaire" (1827). Ook Fourier'e

31

Sluiten