Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steeds een overschot leveren, dat hun niet ten goede komt. Bij de vermeerderde productiviteit van den arbeid, die steeds aangroeit in onzen tijd van industrialisme, komt aan den arbeider een bijna gelijkblijvend quantum, terwijl de grootere opbrengst van den arbeid den kapitalisten in den schoot valt. (Wet van de dalende bonquote). De armere klassen worden dus naar verhouding voortdurend armer, terwijl de kapitalisten en grondeigenaren door den arbeid der welstandscheppende arbeiders steeds naar verhouding rijker worden. Zoo komt dan Rodbertus met zijn wet tot hetzelfde resultaat als Lassalle met zijn „ijzeren loonwet." Beterschap is alleen te verkrijgen door afschaffing van den bijzonderen eigendom van grond en kapitaal. Een dergelijke maatregel is evenwel in afzien baren tijd niet te nemen. Daarom moeten hervormingen worden ingevoerd, die hij van de moderne monarchie verwacht. Naar den aard van elke industrie moet van staatswege een normale arbeidsdag worden vastgesteld en moet bepaald worden hoeveel arbeid in dien tijd moet verricht worden. Periodiek zal de Regeering dan het loon voor den normalen arbeidsdag moeten vaststellen. In hoeverre noch Rodbertus noch Marx een juist begrip hadden van de waardeleer, zooals die door de Engelsche economisten Smith en Ricardo geformuleerd was, zullen wij in het artikel: „waarde" uiteenzetten. Wat wij niet bij Rodbertus, maar wel bij Marx vinden,hoewel beider theorieën in vele opzichten groote overeenkomst hebben, is het in uitzicht stellen van een eenigszins spoedige maatschappelijke katastrophe, door Bebel den „grossen Kladderadatsch" genoemd, die het gevolg zou zijn van de maatschappelijke ontwikkeling zelve (zie het artikel: „Marxisme").

In dit uiterst korte overzicht mag de naam van Karl Marlo (pseudoniem voor Winkelblech, 1810— 1865) niet ontbreken, wiens werk: „Untersuchungen über die Organisation der Arbeit oder System der Weltökonomie" (1860—51) eerst na des schrijvers dood de daaraan verschuldigde belangstelling ondervond. Marlo's groote verdienste ligt daarin dat hij niet evenals de andere socialisten het bevolkingsvraagstuk over het hoofd zag. Terwijl tot de Fransche revolutie volgens Marlo moet gesproken worden van de regeering van de macht (monopolisme), zou daarna het liberalisme heerschen, bestreden door het communisme. Het liberalisme bracht de plutokratie, het communisme zou den stilstand van allen vooruitgang brengen. Een middenweg moet bewandeld worden door toepassing van het fcederalisme, een stelsel, dat berust op industrieele en maatschappelijke associaties, waarvan het product te verdeelen is tusschen hare leden naar gelang van ieders arbeid.

Thans zijn wij gekomen tot de bespreking van het werk van den man, die zijn stempel drukte op de machtige beweging, die hij in het leven riep, Karl Marx. Omtrent Marx' levensloop verwijzen wij naar het artikel „Marx", omtrent zijne theorieënnaarhet artikel Marxisme. Nochtans willen wij hier op enkele gewichtige data van zijn leven en werken wijzen. Om Marx goed te verstaan, is het noodig uit te gaan van het „Communistisch Manifest", dat hij in 1847 met Friedrich Engels samenstelde om den Bond der Communisten, die zich in Parijs gevormd had, een program te geven. De schrijvers waren toen van meening dafchet proletariaat zich het politieke ge¬

zag moest veroveren, dat daarna alle productiemiddelen zouden moeten worden geconcentreerd in de handen van den Staat, die dan tevens de verhouding tusschen de producenten zou hebben te regelen. Als overgangsmaatregel zou men den particulieren grondeigendom onteigenen en de grondrente ten behoeve van de staatsuitgaven aanwenden. Daarnaast eene sterk progressieve inkomstenbelasting, afschaffing van het erfrecht, centralisatie van het crediet in de handen van den Staat door een Nationale Bank, centralisatie van het transportwezen in handen van den Staat, uitbreiding van de nationale fabrieken, ontginning van Staatswege van woeste gronden, gelijke arbeidsplicht voor allen, vereeniging van akkerbouw met industrie, openbare en kostelooze opvoeding der jeugd, opheffing van den arbeid van kinderen in fabrieken en werkplaatsen. Over den inhoud van „het Manifest" zie overigens onder Klassenstrijd. Behalve door den scherpen toon wordt het Manifest gekenmerkt door de openlijke aanbeveling van revolutionnaire middelen. Deze laatste zijn niet steeds door Marx aanbevolen. Want vijf-en-twintig jaren later, den 24 Juni 1872, toen beide auteurs eene voorrede schreven voor een nieuwe uitgave van dit program, zegden zij daarin: „Enkele deelen moesten eigenlijk worden omgewerkt. Het Manifest verklaart zelf waarom de toepassing van zijn beginselen steeds en overal zal afhangen van de bestaande historische omstandigheden en men daarom niet al te veel gewicht moet hechten aan de revolutionnaire maatregelen, die op het einde van het tweede hoofdstuk opgesomd zijn.Dit hoofdstuk zou thans op geheel andere wijze geredigeerd moeten worden. Wanneer men de enorme ontwikkeling van de groot-industrie in het voorafgaande tijdperk en de organisatie der arbeiders, die daarmede gelijken tred hield, onder de oogen ziet, wanneer men verder de ervaring in aanmerking neemt, eerst met de Februari-revolutie en daarna met de Parijsche Commune opgedaan, die voor de eerste maal aan het Proletariaat gedurende twee maanden de politieke macht gaf, dan is dit programma op vele punten verouderd."

In 1859 verscheen „Zur Kritik der politischen Oekonomie", waarvan in 1903 door Kautsky een tweede uitgave werd bezorgd. De eerste band van das „Kapital, Kritik der politischen Oekonomie" volgde in 1866. De tweede en derde band werden uit Marx1 nalatenschap door Engels bewerkt en door dezen uitgegeven in de jaren 1885 en 1894. De hoofdpunten van het eerste deel, die in het artikel „Marxisme" besproken zijn, komen neer op le. de materialistische opvatting der geschiedenis, 2e het bestaan van het industrieele reserveleger, 3e. de theorie van de meerwaarde, 4e. de toenemende verarming, 5e. de concentratie der bedrijven. Wij verwijzen den lezer naar dit artikel. „Das Kapital" is een buitengewoon boek. De schrijver toont zich daarin als een criticus zonder illusies en zonder verschooning. Hij geeft blijken van een buitengemeen scherpen blik op het psychologische en dus historische verband der feiten en handelingen, in het bijzonder als zij berusten op de minder edele drijfveeren des menschen. De veelzijdige omgeving, waarin hij geboren werd, de verscheidenheid der lalden, waarin hij leefde, zijn talenkennis, zijn di/fectöch vernuft waren de middelen, die iedereen, difr ar/et hem kennis maakte, onder den indruk brachten een

Sluiten