Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bruik van het klinkdicht kwam, dat hij als 't ware in Servië invoerde. Zijn vertalingen uit het Engelsch betreffen vooral Shakespeare; verder Poe, Rossetti, Tennyson, Swinburne en Wilde. Van den eerste vertaalde hij: „Much ado about nothing", „The merchant of Venice", „Julius Caesar" en „Othello".

Stefanus, eigenlijk Etienne, is de naam van een geslacht van boekdrukkers en geleerden te Parijs De merkwaardigste leden zijn:

Stefanus, Róbert, geboren te Parijs in 1503, legde zich toe op de oude talen en kwam in 1526 aan het hoofd van een boekdrukkerij, omstreeks het jaar 1500 door zijn vader Henri te Parijs gesticht. Koning Frans I benoemde hem in 1539 tot „Typographus regius" voor het Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn, maar hij ontmoette grooten tegenstand bij de geestelijkheid wegens de door hem gedrukte boeken, vooral den Bijbel, zoodat hij in 1551 naar Genève verhuisde en de Hervo'rmde leer omhelsde, waarna hij den 7den September 1559 overleed. In zijn huis werd ten slotte zelfs door zijn personeel Latijn gesproken. De door hem gedrukte werken (men telt er 382), welke den Bijbel in de verschillende talen, Grieksche en Romeinsche classici, schoolboeken enz., maar ook de geschriften der Zwitsersche Hervorming omvatten, werden wegens de fraaiheid en correctheid zelfs boven die van zijn zoon Henri gesteld. Als schrijver is hij bekend door den met Jean Thierry de Beauvais geschreven „Thesaurus linguae latinae" (voor het laatst in 4 dln., 1740).

Stefanus, Charles, een broeder van den vorige, geboren in 1504, studeerde in de geneeskunde, werd in 1551 eigenaar der drukkerij van zijn broeder, geraakte in schulden en overleed in 1664 in de gevangenis.

Stefanus, Henri, een zoon van den voorlaatste, geboren te Parijs in 1528, ging in 1551 met zijn vader naar Genève, gaf sedert 1554 zelfstandig werken uit, stichtte in 1557 een eigen drukkerij te Genève met ondersteuning van Huldrich Fugger uit Augsburg, vereenigde deze echter in 1559 met de zaak van zijn vader en leefde slechts hiervoor en voor de wetenschappen. Reeds van 1547—1549 en van 1556—1557 was bij in Italië, in 1550 en 1551 in Engeland en de Spaansche Nederlanden en ging van uit Genève dikwijls naar Frankrijk, later vooral naar Duitscliland, bijv. regelmatig naar de mis te Frankfort a. M. Toen echter de „Thesaurus linguae graecae" een groot deel van zijn vermogen verbruikt had en niet voldoende verkocht werd, doordat zijn corrector Joh. Scapula er een handig en goedkoop uittreksel uit had gepubliceerd, bovendien nog zijn tweede vrouw, de voortreffelijke Barbe de Ville overleed (1581), maakte zich met de langzame ruïne van zijn zaak een groote rusteloosheid van hem meester. Hij werd op een reis te Lyon ziek en overleed in het begin van Maart 1598 onder verschijnselen van volledige geestesstoring. Hij bezat een zeldzame kennis van het Grieksch. Zijn uitgaven, waaronder bijna 30 editiones principes, omvatten bijna de geheele Grieksche letterkunde. Zijn hoofdwerk is de reeds door zijn vader voorbereide „Thesaurus linguae graecae"(9 dln., 3de druk, 1831—1865). Ook in zijn moedertaal onderscheidde hij zich als sierlijk schrijver.

Stefanus, Paul, een zoon van den vorige, geboren in 1566 te Genève, werd in 1598 eigenaar van de drukkerij zijns vaders, maar moest om staatkundige redenen in 1605 uit Genève vluchten. Hij overleed omstreeks 1627.

Stefanus, Antoine, oudste zoon van den vorige, geboren in Juni 1592 te Genève, was sedert 1618 werkzaam als boekdrukker te Parijs en werd in 1623 tot boekdrukker des konings benoemd. Hij drukte vooral voor de oratorianen, bijv. de werken van Chrysostomos, de Septuagint enz., maar werd in het laatst van zijn leven blind en overleed verarmd in het H6tel-Dieu te Parijs in 1674. Hij is de laatste beroemde boekdrukker van deze familie, welke eerst in het midden van de 18de eeuw uitstierf.

Steffenhagen, Em.il Julius Hugo, een Duitsch beoefenaar van de geschiedenis van het recht, geboren den 23sten Augustus 1838 te Goldap in OostPruisen, vestigde zich in 1865 te Koningsbergen als privaatdocent. In 1867 begaf hij zich naar Athene, om op last der universiteit aldaar de nationale bibliotheek in orde te brengen. Toen hij in 1870 uit Griekenland terugkeerde, werd hij stadsbibliothecaris te Danzig, in 1871 custos aan de bibliotheek te Koningsbergen, in 1872 secretaris van het bestuur der bibliotheek te Göttingen en in 1875 opperbibliothecaris van de universiteitsbibliotheek te Kiel. In 1903 trok hij zich in het ambtelooze leven terug en vestigde zich te Koburg. Reeds als student gaf hij uit de handschriften te Koningsbergen „Beitrage zu von Savigny's Geschichte des römischen Rechts im Mittelalter"(2de druk, 1861) en den door hem ontdekten oorspronkelijken tekst van„De summaria cognitione" vanJohannes Faxiolus (1859) uit. Voorts leverde hij meer dan één merkwaardigen catalogus, een beschrijving van de oud-Duitsche handschriften in de bibliotheken te Koningsbergen, opstellen in verschillende tijdschriften, evenals „De inedito juris germanici monumento" (1863), „Die neun Bücher Magdeburger Rechts"(1865), „Deutsche RechtsqueUen in Preuszen"(1875) en „Ein mittelalterliches Traktat über den Rentenkauf und das KostznitzerRechtsgutachten" (1903). In 1877 werd hem door de Academie te Weenen een critische bewerking opgedragen der glossaria van den „Sachsenspiegel". Als voorarbeid daartoe verscheen van hem in de verslagen der Academie „Die Entwickelung der Landrechtsglosse des Sachsenspiegels"(9 afl., 1881—1887), „Einflusz der Buchschen Glosse auf die spatern Rechtsdenkmaler"(2 dln., 1893—1894) en „Zu den Göttinger Rechtshandschriften"(1895).

Steffens, Henrich, een Noorsch wijsgeer, natuurkenner en dichter, geboren den 2den Mei 1773 te Stavanger in Noorwegen, studeerde te Kopenhagen in de natuurwetenschappen, deed daarop een reis door Noorwegen, hield in 1796 te Kiel natuurwetenschappelijke voorlezingen en begaf zich in het volgende jaar naar Jena, waar hij een aanhanger werd der natuurlijke wijsbegeerte van Schelling. In 1800 begaf hij zich naar Freiberg, waar hij de toegenegenheid verwierf van Werner en „Geognostisch-geologische Aufsatze"(1810) bewerkte. Deze breidde hij vervolgens uit in zijn „Handbuch der Oryktognosie" (4 dln., 1811—1824.) Na zijn terugkeer in Denemarken in 1802 hield hij voorlezingen aan de universiteit te Kopenhagen, maar vertrok in 1804 als hoogleeraar naar Halle, waar hij de „Grundzüge der philosophischen Naturwissenschaft" (1806) uitgaf en in 1811 naar Breslau. In 1813 nam hij vrijwillig deel aan den bevrijdingsoorlog en bleef in de gelederen tot aan de eerste inneming van Parijs. Na het sluiten van den vrede keerde hij naar zijn academischen leerstoel te

Sluiten