Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sel enz. De wijsbegeerte heeft tot taak, het totaal der wetenschappen met betrekking tot haar stelselmatigen samenhang met de ééne wetenschap te toetsen, voorzoover zulk een samenhang aanwezig is, en dezen aan te toonen, voorzoover hij niet aanwezig is, ten minste de nog open vragen en niet vervulde eischen tot een stelselmatige eenheid te ontwikkelen. In dien zin is een wetenschappelijke systematiek in ieder stadium der menschelijke wetenschap mogelijk en noodzakelijk.

Stelten zijn lange, stevige stokken, voorzien van opstapklossen, met behulp waarvan men zeer groote passen nemen kan. Zij dienen als kinderspeelgoed en in een eenigszins anderen vorm, lager en van boven voorzien van een plankje, dat aan de voetzool wordt bevestigd, bij den steltendans van equilibristen. In O.-Azië en in het Fransche departement des Landes gebruikt men ze om moerassige streken door te trekken; in de laatste streek loopen de herders er zelfs den geheelen dag op. Oorspronkelijk schijnen zij haar ontstaan te danken te hebben aan godsdienst en mystiek, doordat zij dienden om de dragers grooter en dus meer gevreesd te doen schijnen.

Stelter, Karl, een Duitscb dichter, geboren den 258ten December 1823 te Elberfeld, wijdde zich tot 1880 in een zijdeweverij aan den handel en woont sedert dien tijd te Wiesbaden. Als dichter behoort hij tot de groep der „Wupperthaler Poëten, die een vrijzinnige en optimistische opvatting van het bestaan bezitten. Hij schreef: „Gedichte"(3ae druk, 1880 ; 2ae dl., 1869), „Neue Gedichte"(1887), ,,Nach sieben Jahrzehnten"(1893), „Die Braut der Kirche; lyrisch-episclie Dichtungen"(1859), „Kompasz auf dem Meer des Lebens" (5'le druk, 1892), „Kompendium der schonen Künste"(1889) en „Novellen" (1882). Zijn biografie legde hij neer in de „Erlebnisse eines Achtzigjahrigen"(1903).

Steltloopers (Grallaiores) is de naam van een door haar leef wijze, welke volkomen metde uitwendige gedaante overeenstemt, vrij scherp begrensde orde der vogels. Zij bezitten lange, dunne pooten, een smal lichaam meestal zonder vet, een langen, zeer bewegelijken hals en een weinig of geheel niet gekromden langen snavel. Bijna alle voeden zich met visschen, kleine reptiliën, wormen en waterinsekten. Daar de steltloopers zelden klein zijn, vele zelfs manshoog worden, kunnen zij zich ver in ondiep water bewegen. Velen kunnen ook uitstekend zwemmen. Bij het vliegen strekken allen de pooten geheel naar achteren uit. Weinig steltloopers bezitten levendige kleuren; zij zien er meestal wit of vuil uit. Hun geluid, meestal een wanklinkend geschreeuw, deed vele fabels ontstaan. De eieren zijn dikwijls bont gespikkeld, de nesten hoogst smakeloos gebouwd. Zij leven bijna alle in monogamie. Door het verdelgen van schadelijke reptiliën, wormen enz. zijn zij nuttig. Eetbaar is slechts een gering aantal. Sommige bezitten in de fraaie veeren een belangrijk handelsartikel, bijv. de zilverreiger in Hongarije en de maraboeooievaar in Zuid-Afrika. De steltloopers worden in 18 families verdeeld n.1.: I. Rallidae of Rallen, waartoe de meerkoet (Fulica atra L.), de waterral (Rallus aquaticus) en het sultanshoen Porphyrio smaragdonotus, behooren. II. Scolopaeidae (Snippen) met I den IJslandschen strandlooper (Tringa canutus L.) \

de kluit (Recurvirostra avocetta), de houtsnip (Scolopax rusticola), de kemphaan (Machetes pugnax) en de groote wulp (Numenius arquatus). III Chionididae met Chionis minor. Eartl. IV, Thinocoridae (Wachtelsnippen) met zes Amerikaansche soorten. V. Parridae. (Spoorvleugeligen met Parra Jas8anna L. VI. Glareolidae met Glareola pratincola. VII. Charadriidae (Pluvieren) met de kievit (Vanellus cristatus Meijer), de goudpluvier (Charaanus auratus), de scholekster (Haematopus ostralegus) en de steenlooper (Strepsilas interpres). VIII. Otididae (Trapganzen) met de groote trapgans (Otis tarda). IX. Gruidae (Kraanvogels) met den gewonen kraanvogel (Gnis cinerea Bechtst). X. Dicholophidae in Zuid-Amerika met Dicholophus cristatus lllig. XI. Aramidae in Zuid-Amerika. XII Psophüdae (Trompettervogels) met den krakenden trompetvogel (Psophia crepitans). XIII. Euripygidae (Zonnevogels met Eurypyga helias lllig). XIV. Rhinochetidae in Nieuw-Caledonië. XV. Ardeidae (Reigers) met den grauwen reiger (Ardea cinerea L.) en den roerdomp (Botaurus stellaris Steph). XVI. Ibididae (Ibissen) met de heilige ibis (Ibis religiosa Savig), den schaduwvogel (Scopus umbretta Gm.) en den schoensnavel (Balaeniceps rex Gould.). XVII. Ciconiidae (Ooievaars) met den gewonen ooievaar (Ciconia alba) en den maraboe-ooievaar (Leptop■ tilus crumenifer). XVIII. Palamedeidae (Hoenderkoeten) met den kamichi of struishoen (Palamedea cornuta L.) Dikwijls worden de drie families der reigers, ibissen en ooievaars als bijzondere orde (Ciconiae) afgescheiden.

Steltvogels. Zie Steltloopers.

Stelzner, Alfred Wilhelm, een Duitsch geoloog, geboren den 208ten December 1840 te Dresden, bezocht aldaar de polytechnische school en vervolgens de mijnacademie te Freiberg. Hij nam deel aan een opmeting der Alpen en werd in 1866 inspekteur en leeraar aan genoemde mijnacademie. Hij vertrok in 1871 als hoogleeraar in mineralogie en geologie naar de hoogeschool te Cordova in Argentinië. In 1874 keerde hij echter als professor in de geognosie naar Freiberg terug. Hij overleed den 25sten Februari 1895 te Wiesbaden. Hij schreef o. a.: „Die Granite von Geyer und Ehrenfriedersdorf" (1666), „Petrographische Bemerkungen über Gesteine des Altai"(1871), „Beitrage zur Geologie und Palaontologie der Argentinischen Republiek" (met anderen, 1885) en „Die Lateralsekretionstheorie und ihre Bedeutung für das Pribramer Ganggebiet" (1889). Uit zijn nalatenschap bewerkte A. Bergeat „Die Erzlagerstatten"(2 dln., 1904—1906).

Stem is het geluid, dat menschen en hoogere dieren voortbrengen, wanneer zij de lucht met eenige kracht door het strottenhoofd drijven (Zie voor de stemvorming en de beschrijving van het stemorgaan de artikelen Klankleer en Keel). De hoogte van de tonen, die door het strottenhoofd voortgebracht worden, hangt af van de lengte van de stembanden en van hun meerdere of mindere spanning. Met het bezit van lange stembanden (bij mannen) is een laag, met dat van korte stembanden (vrouwen en kinderen) een hoog geluid verbonden. Een grootere spanning geeft een hooger geluid, een geringere spanning een lager geluid. Doordat de stembanden naar willekeur meer of minder gespannen kunnen worden, kan elk stemor-

Sluiten