Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reproductie-poincoen perst men eerst een dienststempel, welke in het muntrad geplaatst, de fouten aantoont. Eerst als deze proef bevredigende resultaten aanwijst, kan bovengenoemd reproductiemateriaal vervaardigd worden, dat steeds den vrijen aanmaak van volkomen gelijke dienststempels waarborgt. Dit moet met de grootste zorg geschieden, omdat door het harden en persen veel van de oorspronkelijke frischheid verloren kan gaan.

Ingewikkelde groote medaillestempels, perst men eveneens mechanisch met poincoenen, welke op de verkleinbank vervaardigd worden. Slechts specialisten slagen er in, om op deze wijze stijlvol werk te verkrijgen, terwijl de steeds noodige nawerking van de verkleining en den stempel de kennis van het handwerk onmisbaar maakt van den medailleur, die zijn werk hoog tracht op te voeren.

Door de vele eischen, die de massa-fabricage der munten aan de stempels stelt, is er voor dit vak veel meer technische kennis noodig dan bij de medailleerkunst, die door de grootere vrijheid van vorm, afmeting en relief veel meer den kunstenaar gelegenheid geeft zijn ontwerpen te verwezenlijken. Zie ook de artikelen Medailleerkunsl en Munttechniek.

Stemrecht. Zie Kiesrecht.

Stemvork is de naam van een staafvormig stuk staal, waarvan de grondtoon voor het stemmen van muziekinstrumenten dient. Bij de stemvork trillen de beide vrije uiteinden tegelijkertijd transversaal naar binnen, terwijl het midden, het boogvormige verbindingsstuk, naar buiten trilt, en omgekeerd. Bij een rechte, aan beide uiteinden vrije staaf liggen de knoopenlijnen ver van het midden en ver uit elkander; daarentegen liggen zij bij de stemvork dicht bij elkander, en wel aan iedere zijde van den boog één. Als men den door de buiging naar buitengaanden en meetrillenden stalen steel van de stemvork met een tafelblad of een resonnantiekast in aanraking brengt, wordt de toon door het meetrillen van het lichaam aanmerkelijk versterkt. De normale stemvork maakt voor den toon a volgens het internationale congres te Weenen (1885) 870 enkelvoudige trillingen. Men kan de trillingen der stemvork door geschikte instrumenten tellen en zichtbaar voorstellen.

Stendal is een plaats in het Pruisische distrikt Maagdenburg, gelegen aan de Uchte. Het is een kruispunt van de spoorwegen Wustermark— Hannover—Hanam, Halle—Wittenberg, Stendal— Ülzen enz. Het heeft 6 Evangelische en 1R. Katholieke kerk, 2 oude stadspoorten en mooie plantsoenen. Men vindt er wolspinnerijen, bierbrouwerijen, katoen-, kachel-, machine-, papier-mfiché-, stijfsel- en lijstenfabrieken; verder vervaardigt men er ijzeren tuinmeubels en houdt er zich bezig met bloemkweekerij. De plaats, die bovendien een suikerfabriek, een stoomkalkfabriek en stoompannebakkerijen, benevens een gymnasium, een opvoedingsgesticht voor verwaarloosde knapen, twee musea en een archief bezit, telt (1905) 23 281 inwoners, waarvan 744 R. Katholieken.

Steng1 noemt men het verlengstuk van een schip, dat door de langszaling wordt gesteund, waarop het met slothout rust.Voor-, achter- of zijwaarts kan zij niet door het ezelshoofd.Hierin is echter eenige ruimte en om de steng beter te steunen, zoodat er geen beweging mogelijk is, heeft men zijwaarts het want, achterwaarts den pardoen en naar voren de stagen.

Stengel (caulis) is de naam van het centrale gedeelte der bovenwaarts groeiende plantenorganen. Hij is reeds in de kiem aanwezig en onderscheidt zich van den wortel door zijn groei in tegenovergestelde richting en door het bezit van geledingen en van bladachtige werktuigen. Aan den volwassen stengel onderscheidt men een zeker aantal leden (internodia) welke door de knoopen of de plaatsen van aanhechting van op elkander volgende bladeren of bladerenparen worden begrensd. Zijn de grenzen der stengelleden duidelijk te zien, dan noemt men haar knoopen (nodi). Op de hoogte dier knoopen heeft de stengel gewoonlijk het vermogen, zich te vertakken of nieuwe assen voort te brengen, die op haar beurt weder dezelfde eigenschap bezitten. Zoo verkrijgt hij lij-assen van de eerste orde of takken (rami) en van de tweede, derde enz. orde of twijgen (ramuli), Het geheele tot dezelfde as behoorende deel noemt men bol, en deze vertoont zich aanvankelijk als knop (gemma). Bij de uitbotting der knoppen worden de stengelleden langer, en zoo ontstaat een bebladerde loot of tak. Worden de stengelleden niet langer, dan zetten zij zich uit in horizontale richting, en de bladeren schijnen dan uit één punt of uit concentrische kringen voort te komen, zooals bij de weegbree (Plantago), de sleutelbloem (Primula) enz. Van den bovenaardschen stengel komen verschillende vormen voor, namelijk de palmtronk, de stam, de halm en de kruidachtige stengel. De palmtronk (caudex) is de enkelvoudige, door bijwortels in den grond bevestigde, in een eindelingschen knop uitloopende, houtige stam der palmen en boomvarens. Aan den houtigen stam der tweezaadlobbige planten door een hoofdwortel en bijwortels in den grond bevestigd, geeft men den naam van stam (truncus). Deze kan boomachtig of heesterachtig zijn.De stengel der grassen, de halm (culmus), van ringvormige knoopen voorzien, is hol, met merg gevuld en kan ook houtig wezen, Eindelijk heeft men den kruidachtigen of eigenlijken stengel (caulis), die in den regel slechts één jaar oud wordt. Somtijds kan de kruidachtige stengel door zijn grootte op een boom gelijken, zooals die van de banaan (Musa) en van den wonderboom (Ricinus). De stengel kan dicht of hol zijn, rechtstandig, golvend, overhangend, knikkend, opstijgend of liggend. Brengt de liggende stengel wortels voort, dan heet hij kruipend. De stengel, te zwak om zich te heffen en dientengevolge bij steviger voorwerpen opklimmend, draagt den naam van windend, wanneer hij zich om die voorwerpen slingert (rechts of links) zooals de hop en de haagwinde, en van klimmend, wanneer hij er eenvoudig tegen op klimt, zooals het klimop en de wijnstok. De doorsnede der stengels is meestal rolrond, maar ook wel drie- of vierkant. Eindelijk kan hij enkelvoudig, vertakt, sterk, vertakt, rechtstandig, uitstaande, uitgespreid, neergeslagen en overhangend wezen.

Wel zijn de meeste stengels boven den grond voorhanden, doch onder den grond komen bij sommige planten ook stengels voor. Ze zijn bekend onder den naam van knollen (tubera), bollen (bulbi) en wortelstokken (rhizoma). Knollen treft men bijv. bij den aardappel en den crocus. Het zijn door een ophooping van zetmeel in den eigenlijken stengel, sterk verdikte stengels,welke aanhun oppervlakte knoppen of oogen dragen, welke den stengel uitzuigen en daarbij zelf tot nieuwe planten uitgroeien. Bollen treft men aan bij vele éenzaadlobbige planten; de eigenlijke stengel.

Sluiten