Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel moeilijker maakten. Na Stolzës dood (1867) werd door een in 1847 ingestelde commissie de beroepsstenografie van de gewone stenografie gescheiden en de laatste belangrijk vereenvoudigd. Deze ontving den naam Nieuw- Stolzsche stenografie, het vroegere, meer ingewikkelde stelsel werd Oud-Stolzsche stenografie genoemd. In 1885 nam een gedeelte der aanhangers van deze richting een aantal andere wijzigingen aan, waardoor een derde methode, de Middel-Stolzsche genaamd, ontstond.

Andere stelsels, die in hoofdzaak op het beginsel van de stabiele teekens berusten, zijn bijv. die van Faulmann (1875)), Merkes (1880), Schrey(1881) Lehmann (1875), Brauns (1888) en Scheilhauer(18%). In 1897 werden verschillende elementen uit de methoden van Stolze en van Schrey vereenigd tot het stelsel Stolze-Schrey, dat veel aanhangers vond. Tegenover de methoden met stabiele teekens voor de neerhalen staan de methoden met mobiele teekens, welke teekens hun beteekenis door verschillende wijzigingen van den vorm verkrijgen. Hiertoe beliooren de stelsels van Arends (1850), Roller (1875) en Kunowski (1893). In 1898 trachtte men ook hier tot eenheid te komen, wat echter niet geheel gelukte. Wel werd uit het stelsel van Kunowski de zoogenaamde nationale stenografie gevormd, die ook onder de voorstanders van Arends en Roller, veel aanhangers vond. In 1902 werd dit stelsel herzien en een tweede trap als beroepsstenografie aangenomen. In Duitschland bestaan een groot aantal stenogafische vereenigingen. Het meest verbreid zijn tegenwoordig de stelsels van Gabelsberger en van Stolze-Schrey. Wel werden verschillende pogingen gedaan, om deze 2 stelsels te vereenigen, tot nu toe echter zonder resultaat. De grafische stenografie heeft zich van uit Duitschland naar het N. O. en Z. van Europa verbreid en aldaar de geometrische methoden voor een groot deel verdrongen. Sedert 1887 worden nu en dan internationale stenografen-congressen gehouden.

De stenografie in Nederland is in haar ontwikkeling over het algemeen afhankelijk geweest van die in de naburige landen, eerst van de Engelsche, en sedert het laatst van de 19de eeuw zeer sterk van de Duitsche. In 1673 verscheen van J. Reyner een Nederlandsche snelschriftmethode, bewerkt naar Engelsch voorbeeld, in 1679 een „Kortschrift Boek" van Johannes Gosens van Helderen, eveneens naar het Engelsch. Vóór dien tijd hadden zich reeds Gerard Schaep (1650), van wien nog een manuscript aanwezig is, en Samuel van Hoogstraten op de stenografie toegelegd. Ook een Engelschman Franeis Lodwick trachtte in dezen tijd een stenografische methode voor het Nederlandsch op te stellen. In de 18de eeuw, toen het handelsverkeer met Engeland afnam, stond de stenografische beweging hier stil. In de eerste helft van de 19ae eeuw eerst kregen de staatsburgers behoefte aan een stenografie voor de redevoeringen van de leden der volksvertegenwoordiging. Men wendde thans den blik naar Frankrijk. In 1814 paste Bossuyt de methode van Conen de Prépéan op het Latijn toe en gaf aan het slot aanwiizineen. hoe men dit ook voor onze

taal kon gebruiken. In 1826 werd door de koninklijke maatschappij „Concordia" te Brussel een prijs uitgeloofd voor het beste Nederlandsche stenografische schrift. De antwoorden van Somer-

hausen en Bossaert, die hun schrift beiden naar Fransch voorbeeld opstelden, werden bekroond. Omstreeks denzelfden tijd ontstonden de methoden van Bogaert (1830) en van Tetar van Elven. Deze laatste, die zich bij het stelsel van Conen de Prépéan aansluit, werd gewijzigd door Steger, die van 1852—1901 directeur van het in eerstgenoemd jaar opgerichte Stenografisch Bnreau van de Nederlandsche Staten-Generaal was. Van 1850— 1904 werd dit stelsel uitsluitend voor de verslagen van de Kamers gebruikt, daar Steger geen andere stelsels in zijn Bureau toeliet; de verbreiding buiten het Bureau werkte hij tegelijkertijd tegen, zoodat zijn stelsel overigens betrekkelijk weinig bekend is geworden. Na 1904 worden ook andere stelsels in het Bureau toegelaten. Eerst sedert 1869 wordt de Duitsche invloed in ons land merkbaar. In dat jaar bewerkte Rietstap, lid van het Stenografisch Bureau, de methode van Gabelsberger voor onze taal. Daarop volgden een groot aantal bewerkingen van andere stelsels; vooral dat van Stolze vond veel ingang. Het werd door Reinbold, door Brand van Straaten (1881), door Wéry (1891) en door Penning de Vries bewerkt. Het stelsel van Gabelsberg werd behalve door Rietstap ook nog door Schwab (1891), dat van Schrey door Sikken (1891), de stenotachygrafie, die men gewoonlijk aan Lehmann toeschrijft door Duykers, het stelsel van Arends door Grebe, dat van Scheithauer door Ri'énts Balt, door Pont en door Duvivier, dat van Stolze-Wéry door Snellen op onze taal toegepast. In 1885 verscheen een stelsel van Goudschaal en Bussmann, dat bij Gabelsberger en Stolze aansluit. Verder noemen wij nog de methode van A. W. Groote (1899), de eenige, die niet naar een buitenlandsch voorbeeld is bewerkt, doch veel overeenkomst vertoont met het stelsel van Scheithauer, waarvan het echter onafhankelijk is, en de bewerking van het stelsel van Pitman door F. de Haan (1886). Het meest verbreid zijn hier te lande: Stolze-Wéry, Gabelsberger-Schwab, Scheithauer-Riënts Balt, Scheithauer-Pont en GoudschaalBussmann. Ook de methode van Steger en de op deze berustende wijziging van Dekker bestaan nog en schijnen tegenwoordig zelfs terrein te winnen, terwijl ook het stelsel Pitman-De Haan veel aanhangers telt. In ons land vindt men alzoo grafische en geometrische stelsels naast elkander, en het is nog niet uit te maken, welke methode op den duur de andere zal verdringen.

Vergelijk voor de stenografie in Nederland het artikel van A. Folmer in het „Archiv für Stenographie" van dr. Curt Dewescheit (1905, afl. XI en XII), dat een uitvoerige literatuuropgave bevat.

Stenogram noemt men een gestenografeerd stuk; in het bijzonder verstaat men er het stenografische afschrift van een rede onder.

Steno-telegraaf is de naam van een door Cassagnes uitgevonden electromagnetisch druktoestel voor stenografische teekens. De samenstelling berust op de stenografeermachine (zie aldaar) van Michela. Het toestel wordt o. a. ook voor het gelijktijdig overseinen van 2 en 3 telegrammen gebruikt. Met dit toestel werden bij verschillende proeven, te Parijs genomen, op een afstand van 900 km. 12000— 14000 woorden in één uur overgebracht.

Stentor is bij Homeros de naam van een Griek l voor Troje met een geweldige stem, die de kracht

XIV

42

Sluiten