Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

penny gegeven, toen sedert Hendrik III een groot aantal van deze goede munten van het midden der 13de eeuw ruim in omloop geraakten en vele overheden daaraan het volle recht van geldigheid als handelsmunt verleenden. De sterling uit de eerste 160 jaar is buitengewoon dikwijls enlangnagemaakt, vooral in Nederland en Duitschland.

Sterling-, John, een Engelsch dichter, geboren den 20Bten Juli 1806 te Kaimes-Castle op het eiland Bute, ontving zijn opleiding te Parijs en te Londen, studeerde te Glasgow en te Cambridge en aanvaardde in 1828 de redactie van het „Athenaeum", knoopte vriendschapsbetrekking aan met Coleridge en schreef den roman: „Arthur Coningsby"(3 dln., 1829), die echter weinig bijval vond. In 1834 werd hij godsdienstleeraar te Hurstmonceau, maar had weldra een afkeer van deze betrekking,zoodat hij zich bepaalde bij de studie der Duitsche letterkunde en in 1838 zijn novelle: „The onyxring" in „Blackwoods Magazine" deed verschijnen. Tot herstel van zijn gezondheid bezocht hij het buitenland, leverde onderscheiden bijdragen in tijdschriften en legde in 1839 zijn „Poems" ter perse, in 1846 gevolgd door „The election", een hekeldicht in zeven boeken, en in 1843 het treurspel: „Strafford". Hij overleed den 18den September 1844. Zijn gedichten onderscheiden zich door treffende denkbeelden en een schoonen vorm.

Sterling-smetaal is een uit Amerika afkomstige taaie, vaste, glanzige legeerirg van ijzer en tin.

Stern, Julius, een Duitsch componist en dirigent, geboren den 8s,en Augustus 1820 te Breslau, trad reeds op zijn 12de jaar als vioolspeler in het openbaar op en werd in 1834 op de kunstacademie te Berlijn leerling in de compositie van Rungenhagen en Bach. Nadat hem in 1843 voor den tijd van twee jaren een rijksbeurs was toegekend, studeerde hij bij Mieksch te Dresden, waarna hij zich naar Parijs begaf, waar hij als dirigent van de Duitsche mannenzangvereeniging een schitterend succes behaalde. In 1847 naar Berlijn teruggekeerd, richtte hij hier zijn beroemd geworden zangvereeniging op, die later onder leiding van Stockhausen (1873), M. Bruch (1878), E. Rudorff (1880), Fr. Gernsheim (1890) en Arno Kleffel (1904) kwam. In 1850 stichtte hij, samen met Kullak en Marx, het Conservatorium voor,Muziek, dat hij, nadat deze beiden zich respectievelijk in 1855 en 1857 hadden teruggetrokken, alleen overnam en tot aan zijn dood met groote bekwaamheid leidde. Als orkestdirigent van de Berlijnsche symphoniekapel (1869—1871) en van de door hem opgerichte kapel der rijkshallen (1873—1875) had hij maar matig succes. Van zijn composities hebben vooral zijn liederen en zijn werken voor het zangonderwijs bijval gevonden. Hij overleed den 27sten Februari 1883 te Berlijn.

Stern, Adolf, een Duitsch dichter en letterkundige, geboren te Leipzig den 14den Juni 1835, wijdde zichreedsvroeg aan de beoefening der fraaie letteren. Nadat hij zicli van 1852—1853 te Leipzig had toegelegd op de wijsbegeerte en geschiedenis, woonde hij in de daarop volgende jaren te Weimar, Chemnitz, Zittau, Dresden, Jena en Schandau en keerde in 1865 naar Dresden terug, waar hij in 1868 tot buitengewoon, in 1869 tot gewoon hoogleeraar aan het polytechnicum werd benoemd. Hij overleed den 15den April 1907 te Dresden. Van zijn dichtwerken

noemen wij: „Gedichte"(4de druk, 1900),onderscheiden novellen, „Aus dunklen Tagen"(3de druk, 1605), „Auf der Reise"(1890), „Die Wiedergefunde"(1891), „Gluck in Versailles. Nanon"(1904), „Maria vom Schiffchen"(1906), verder de romans: „Das Fraulein von Augsburg"(1868), „Die letzten Humanisten" (3d« druk, 1889), „Ohne Ideale"(2de druk, 1906), „Die Ausgestoszenen"(1907) enz., de epische dichtwerken: „Johannes Gutenberg"(2de druk, 1889), „Wolfgangs Römerfahrt"(1906) enz. Als'iiterairhistoricus schreef hij de anthologie: „Fünfzig Jahre deutscher Dichtung"(2de druk, 1877), „Grundrisz der allgemeinen Literaturgeschichte"(4de druk, 1906), „Geschichte der neuern Literatur"(7 dln., 1883—1885), „Studiën zur Literatur der Gegenwart"(3de druk, 1905; nieuwe serie, 1904) enz. Hij schreef nog: „Wanderbuch"(3d<> druk, 1890), „Hermann Hettner" (1885) en „Die Musik in der deutschen Dichtung"(1888) en gaf „W. Hauffs samtliche Werke"(4 dln., 1879), „Herders ausgewahlte Schriften"^ dln., 1881), „Chr. Gottfr. Körners gesammelte Schriften"(1882) en de laatste drukken van „Geschichte der deutschen Nationalliteratur" van Vilmar uit, waaraan hij een vervolg: „Die deutsche Nationalliteratur vom Tode Goethes bis zur Gegenwart" toevoegde (5de druk, 1905). Met Erich Schmidt gaf hij de „Gesammelte Schriften" van[Oto Ludwig met een belangrijke biografie van den dichter uit (6 dln., 1891); verder gaf hij uit de verzamelde „Gedichte" van den musicus Peter Cornelius en een vertaling van een bloemlezing van graaf Snoilsky (1892), „Liszts Briefe an Karl Gille"(1903) enz. De „Ausgewahlte Werke"(6 dln.) van Stern verschenen te Dresden.

Stern, Alfred, een Duitsch geschiedkundige, geboren den 22Bten November 1846 te Göttingen, trad in 1872 als docent in de geschiedenis aldaar op, werd in 3873 hoogleeraar in de geschiedenis te Bern en in 1888 aan het polytechnicum te Zurich. Hijjschreef: „Über die zwölf Artikel der Bauern und einige andre Aktenstücke aus der Bewegung von 1525"(1868), „Milton und seine Zeit"(2 dln., 1877—1879), „Geschichte der Revolution in England"(2de druk, 1898), „Abhandlungen und Aktenstücke zur Geschichte der preuszischen Reformzeit 1807—1815" (1885) en „Geschichte Europas seit den Vertragen von 1815 bis zum Frankfurter Frieden vom 1871 "(4 dln., 1894—1905). Ook gaf hij „Briefe englischer Flüehtlinge in der Schweiz"(1874) en met W. Vischerhet lste deel der „Baseier Chroniken"(1872) uit.

Stern, Maurice Reinhold von, een dichter en schrijver van Russische afkomst, geboren den 3den April 1860 te Reval, diende van 1878—1879 als vrijwilliger in het Russische leger en emigreerde in 1880 naar N. Amerika, waar hij o. a. als journalist werkzaam was en in verbinding stond met de Internationale Arbeidersassociatie. In 1885 naar Europa teruggekeerd, studeerde hij in de wijsbegeerte te Zürich en te Bern, waar hij o. a. kennis maakte met G. Keiler en K. F. Meyer, en waar hij, om zijn staatkundig verleden veelvuldig vervolgd, als schrijver tot 1898 woonde. Sedert dien tijd woont hij te Linz aan de Donau. Hij heeft vooral als lyrisch dichter naam gemaakt. Van zijn talrijke bundels noemen wij: „Stimmen im Sturm"(Zürich, 1888), „Excelsior"(Zürich, 1889), „Höhenrauch"(Zürich, 1890), „Sonnenstaub"(Leipzig, 1890), „Ausgewahlte Gedichte"(Dresden,1891), „Nebensonnen"(Dresden,

Sluiten