Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring der Staten van Holland en der Staten-Generaal, terwijl hij lid was van verschillende belangrijke staatscommissiën. Na de omwenteling van 1795 keerde hij tot het ambteloos leven terug. In 1802 werd hij lid van het Gedeputeerd Bestuur van Holland in de afdeeling geldmiddelen. In 1804 werd hij lid van den Aziatischen Raad en bij het optreden van Schimmelpenninck secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken, tevens belast met het beheer der zaken van den waterstaat, eeredienst, justitie, politie en kunsten en wetenschappen. Als zoodanig bracht hij veel goeds tot stand, maar werd onder koning Lodewijk lid der vergadering van Hun Hoogmogenden, waar hij inzonderheid zijn aandacht op de geldmiddelen vestigde. Bij de inlijving van Nederland in het Keizerrijk bleef hij buiten dienst, maar na de omwenteling werd hij in November 1813 commissaris-generaal van Binnenlandsche Zaken, welke betrekking hij in het volgend jaarnederlegde. Hij werd toen lid van de Tweede, later van de Eerste Kamer en overleed den 88ten November 1822.

Stralende materie noemt men zulke stoffen,welke het vermogen bezitten eigen stralen uit te zenden. Terwijl het reeds langer bekend was, dat sommige stoffen, zooals suiker, tin enz., onder zekere omstandigheden stralen kunnen uitzenden, welke echter, als het resultaat van bepaalde chemische processen, van secundairen aard zijn, gelukte het aan prof. Curie (zie aldaar) aan te toonen, dat andere stoffen een eigen stralingsvermogen hebben, n.1. alle diegene, welke radio-actieve eigenschappen bezitten. Zie verder Radioactiviteit.

Stralende warmte. Zie Warmte.

Straling is de algemeene naam voor het verschijnsel, dat van zekere bron uit zich arbeidsvermogen in het omringende medium verbreidt. De grondwet van elke straling is deze (zie Licht), dat de door een stralingsbron naar alle zijden gelijkmatig uitgezonden straling omgekeerd evenredig met het vierkant van den afstand van die bron afneemt. Het blijkt, dat tusschen licht- en warmtestraling, in zoover beide het gevolg zijn van temperatuurverhooging geen principieel, qualitatief verschil bestaat. Lichtstralen in dezen zin zijn niets anders dan warmtestralen met kleiner golflengte dan waarvoor het oog gevoelig is. Naar de huidige opvattingen is temperatuurstraling de electromagnetische evenwichtsverstoring in den aether, in wezen gelijk aan de door H. Hertz opgewekte electromagnetische straling (zie Draadlooze Telegrafie). Het arbeidsvermogen van de stralende bron verbreidt zich met de snelheid van het licht in de ruimte om daar, waar zij stoffelijke lichamen ontmoet, deels in warmte of licht te worden omgezet, deels teruggekaatst te worden. Het breukdeel der opvallende straling, dat in het lichaam wordt omgezet, noemt men zijn absorptievermogen (A), het teruggekaatste deel (1—A) zijn terugkaatsingsvermogen. Voor wat betreft de absorptie van donkere (ultraroode) warmtestralen, noemde Meilom lichamen, die deze doorlaten, evenals doorschijnende lichamen, lichtstralen doorlaten, diathermaan, athermaan, daarentegen zulke, welke hen absorbeeren. Kirchhoff noemt nu een lichaam absoluut of volkomen zwart, als het de geheele opvallende straling absorbeert en dus A = 1 is. Roet is daarnaar bijna volkomen zwart; een volkomen zwart lichaam werd echter eerst door Wien en Lummer geconstrueerd door een opening in den wand van een holle ruimte.

Van de door deze opening invallende straling komt niets meer terug naar tyiiten. De door oppervlakte eenheid van een lichaam uitgestraalde hoeveelheid arbeidsvermogen noemt men zijn emissievermogen (E). Brengt men een lichaam in een ruimte van gelijkmatige temperatuur, dan neemt het dezelfde temperatuur aan, wat slechts mogelijk is, doordat het evenveel arbeidsvermogen uitstraalt als absorbeert. Daaruit volgt de beroemde wet van Kirchhoff, die den grondslag vormt van de spectraalanalyse (zie aldaar), dat het emissievermogen van een lichaam evenredig is met zijn absorptievermogen bij dezelfde temperatuur, of E = eA. waarin e een constante is. Daar bij volkomen zwarte lichamen A = 1, volgt daaruit dat voor deze lichamen het emissievermogen de waarde e heeft, welke grooter is dan die van ieder ander lichaam, wijl immers A voor deze een echte breuk is. Bij volkomen zwarte lichamen neemt nu de totale straling snel met de temperatuur toe, en welis zij, volgen s de wet van Stefan-Boltzmann evenredig met de vierde macht van de absolute temperatuur (zie aldaar), zoodat e = const. T4. Voor ieder ander lichaam berekent men de straling met behulp van de wet van Kirchhoff.

Stramien noemt men een grof weefsel, vervaardigd uit kamgaren en katoen, dat voor pantoffels en schoenen wordt gebruikt. Meestal zijn er kleine, gekleurde patronen in gewerkt. Ook geeft men den naam stramien aan een hol weefsel van katoen, wol of linnen (zie Canevas).

Strand. Zie Kust.

Strandkruid (Armeria L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Plumbagineeën. Zie Armeria.

Strandlooper (Tringa) is de naam van een vogelengeslacht uit de familie der Langsnaveligen (Longirostres) of Snipachtigen (Scoloparidae) en uit de orde der Steltloopers (Grallatores). Hun snavel is niet veel langer dan de kop, recht of weinig gebogen, de pooten zijn schraal, zonder spanvlies, tusschen de voorteenen, behalve bij den kemphaan, en de achterteen is altijd klein. De vleugels zijn lang, van de slagpennen is de eerste de langste, de staart is kort, recht afgesneden of wigvormig. De strandloopers leven van wormen, insecten en weekdieren en leggen hun langwerpige, bruingevlekte eieren in holten in den grond. Zij bewonen de noordelijke streken van de Oude en de Nieuwe Wereld. In den zomer zijn de veeren anders gekleurd dan in den winter. Tot dit geslacht behooren eenige soorten, zooals de kemphaan (zie aldaar), de kamoet-strandlooper (T. canutus), die in den zomer zwart met roestkleurige vlekken op den rug en de vleugels, in den winter grijs met witte keel en borst en witten, bruin gegolfden buik is, de bonte strandlooper (T. cinclus), ook strandbokje geheeten, in den zomer kenbaar aan een groote, zwarte vlek op de overigens witte borst en buik, terwijl schedel, rug, vleugels en staart bruin zijn met paarse en zwarte vlekken, en de kleine strandlooper (T. minuta) of strandleeuwerik, een kleine vogel, des zomers roestkleurig aan kop en hals, wit aan den buik en op den rug, terwijl de vederen van vleugels en staart zwart zijn met roestroode randen en des winters van onderen wit, van boven bruingrijs, terwijl elke veder geteekend is met een overlangsche, donkerbruine vlek.

Strandlijn of Kustlijn is de lijn, die land en zee van elkander scheidt en bij steilkusten gewoon-

Sluiten