Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1903). Buitendien gaf hij de commentaar van Theodorus van Mopsuhestia bij 'de brieven van Paubis, het evangelie van Marhus, de openbaring van Johannes en de Septuaginta uit.

Swieten, Gerard van, een Nederlandsch geneeskundige, geboren te Leiden den 7den Mei 1700, bezocht op 16-jarigen leeftijd de hoogeschool te Leuven, keerde twee jaar daarna naar Leiden terug, ■waar hij tot de leerlingen van Boerhave behoorde. Hij promoveerde in 1725. Van 1727—1738 hield hij voorlezingen aan de universiteit aldaar, doch kon als Katholiek niet tot hoogleeraar worden benoemd. Hij wees een beroep naar Londen van de hand, en zag zich kort daarna benoemd tot eersten lijfarts van keizerin Maria Theresia en directeur van den geneeskundigen dienst in Oostenrijk te Weenen. Hij werd aldaar directeur van de keizerlijke bibliotheek, voorzitter van de geneeskundige faculteit en directeur van het geneeskundig staatstoezicht. Hij bewerkte, dat de studie en de censuur in Oostenrijk aan het toezicht van de Jezuieten onttrokken en onder een staatscommissie geplaatst werden. In 1768 werd hij in den adelstand verheven. Hij overleed den 18del1 Juni 1722 te Schönbrunn. Zijn hoofdwerk, waaraan hij gedurende zijn geheele leven arbeidde, is getiteld: „Commentarii in Hermanni Boerhaavii aphorismos de cognoscendis et curandis morbis"(4 dln., 1766— 1772). Verder verschenen na zijn dood zijn „Constitutiones epidemicae et morbi potissimum Lugdini Batavorum observati".

Swieten, Gottfried, vrijheer van, een zoon van den voorgaande, geboren in 1734 te Leiden, was een vriend van Haydn, voor wien hij de teksten van „Die Schöpfung" en „Die Jahreszeiten" bewerkte, en van Mozart. Van 1781—1790 was hij voorzitter van de hofcommissie voor de studie en de censuur. Hij overleed den 29sten Maart 1803 als directeur van de keizerlijke hofbibliotheek te Weenen.

Swieten, Jan van, een Nederlandsch krijgsman, geboren te Mentz den 28sten Mei 1807, trad nog voor zijn veertiende jaar in krijgsdienst en werd reeds od zeventienjarigen leeftijd tweede-luitenant.

Elf jaren later werd hij kapitein, in 1849 kolonel en in 1858 luitenant-generaal en bevelhebber van het Nederlandsche leger in Indië, waarna hij in 1862 werd gepensionneerd. Gedurende zijn militaire

loopbaan nam hij deel aan den oorlog op Java (iöz i —1829) en ontving op een-en-twintigjarigen leeftijd de Militaire Willemsorde; verder aan den Tiendaagschen Veldtocht en in 1845 aan den oorlog op Sumatra. In 1859 trad hij op als commandant van de tweede Bonische expeditie, nadat hij reeds benoemd was tot adjudant des konings in buitengewonen dienst. Na zijn pensionneering werd hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en toen de oorlog in Atjeh in 1873 een hachelijke wending nam, trok hij als civiel-regeeringscommissaris en bevelhebber der tweede expeditie derwaarts, maakte zich meester van den Kraton en werd in 1874 opnieuw gepensionneerd. Als blijk van zeldzame onderscheiding schonk de koning hem het Grootkruis der Militaire Willemsorde; verder bezat hij de orde van den Nederlandschen Leeuw, de gesp van Boni en het Atjehkruis en eenige buitenlandsche orden. Hij overleed te 's Gravenhage den 9den September 1888.

Swietenia is de naam van een plantengeslacht uit de familie van de Cedreleeën, waarvan de mahoniehoutboom de vooornaamste soort is. Zie aldaar.

Swift, Jonathan, een Engelsch schrijver, geboren te Dublin den 308,en November 1667, toonde reeds als knaap het eigendunkelijk sceptisch karakter, dat hem als man bijbleef en tot een van de eigenaardigste letterkundige figuren maakte. Hij bezocht de school te Kilkennv, studeerde sedert 1682 aan het Trinity College te Dublin en werd in 1688 secretaris van sir William Tempte te Moor Park in Surrey. Voor hem schreef hij in 1697 een pamflet tegen den philoloog Bentley „Battle of the books", waarin hij in den trant van den Muizen- en Kikvorschenoorlog van Homeros den strijd tusschen de Klassieken en de Modernen parodieëerde. Toen Tempte in 1699 overleed, belastte Swift zich met de uitgave van diens staatkundige werken en keerde daarop als kapellaan van graaf Berkely, onderkoning van Ierland, daarheen terug. Zijn leeraarsplaats te Laracor verschafte hem een jaargeld van 400 pond sterling. Hoe hij over de twisten in de Christelijke Kerk, inzonderheid tusschen de Katholieken, de Hoog-Kerkelijken en de Dissenters dacht, bleek uit zijn beroemd pamflet „Tale of a tub"(1704). Hierin ontwikkelde hij een sarcasme, dat hem tot den meest gevreesden schotschriftschrijver van dien tijd verhief. Als zoodanig kwam hij in aanraking met de leiders van de Whigpartij, die toen de macht in handen had. In 1710 onderhandelde hij in opdracht van den aartsbisschop King, primaat van Ierland, over de afschaffing der tienden aldaar, en wel met zóó gunstig gevolg, dat hij bij zijn terugkeer in Ierland met klokgelui ontvangen werd. Inmiddels verlangde hij naar Engeland terug te keeren om op staatkundig gebied werkzaam te kunnen zijn. Daar de Whigs zijn hoogsten wensch, een bisdom, niet konden inwilligen, vond hij er geen bezwaar in, tot de Tories, die toen aan het bestuur gekomen waren, over te loopen en zijn vroegere medestanders met nog vinniger hekelschriften aan te vallen, dan vroeger de Tories. De ministers droegen zijn wensch aan de koningin voor, die echter niet kon besluiten, den vervaardiger van de „Tale of a tub" zulk een hoog ambt toe te vertrouwen, en Swift werd tot zijn groote teleurstelling met het decanaat van St. Patrick te Dublin afgescheept. Gedurende zijn daarop volgend verblijf in Ierland (1714 —1726) wist hij intusschen opnieuw de volksgunst

te verwerven, doordien hl] in de „Drapier s letters (1723) aan het Engelsche ministerie gericht, den toestand van zijn ongelukkig en verdrukt vaderland met donkere kleuren schilderde. Bij den wrevel over de verijdeling van zijn hoop kwam in dien tijd nog de tragische afloop van een dubbele minnarij. Sedert lang had Swift een innige betrekking aangeknoopt met Esther Johnson (door hem Stella genaamd), welke hij ten huize van sir Tempte had leeren kennen. Later vatte hij een hartstochtelijke genegenheid op voor een andere jonge dame te Londen, Esther van Homrich (Vanessa), aan wie hij echter zijn betrekking tot Stella niet durfde openbaren. Nadat Vanessa echter het geheim ontdekt had, stierf zij van verdriet (1723), en eenige jaren daarna (1728) ook Stella, met wie Swift kort te voren een geheim huwelijk had aangegaan. Sedert 1724 hield hij zich bezig met het schrijven van zijn beroemd werk: „Travels of GuUiver", dat in 1726 in het licht verscheen, de grootste bewondering wekte en in alle beschaafde talen werd overgezet. Ofschoon het een scherpe satire op staatslieden, op zoogenaamd beschaafde Meden, op geleerden en op degeheele menschheid bevat,

Sluiten