Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alia) gepraepareerde oesterschalen (conchae praepa- r rataé) enz. Men wrijve deze bestanddeelen fijn, voege a ze tot gelijke gewichtsdeelen bijeen en doe er calmus- 1 wortel en eenige droppels aetherische olie bij. Tand- c poeders, die de tanden aanstonds wit maken, zijn a! \ te keuren, omdat zij het glazuur aantasten. Ook j koolpoeder is niet aan te bevelen, omdat de fijne i kooldeeltjes onder het tandvleesch blijven zitten en ( nadeelig werken op het glazuur. Het gebruiken van ] den tandborstel veroorzaakt wel eens bloeding van i het tandvleesch, doch dit behoeft niemand af te ] schrikken. Men bewege den borstel van het tand- < vleesch af naar beneden, alzoo aan de onderkaak van 1 onder naar boven en aan de bovenkaak van boven ] naar beneden, daar alleen op deze wijze het achter- 1 gebleven vuil, hetwelk zich tusschen de tanden be- ] vindt, verwijderd wordt en er tevens nagenoeg geen i beleediging plaats grijpt van het tandvleesch. Men | vergete niet, ook de achterzijde der tanden te poetsen, en het is doelmatig, de tanden daarna door 1 middel van een penseel met een of andere samentrekkende vloeistof, bijv. met tinctuur van myrrhe te bestrijken. Is een tand aangedaan, zoo raadplege men ten spoedigste een tandarts, om het voortwoekeren der kwaal te beletten en ook de daarnaast geplaatste tanden tegen bederf te bewaren.

Tandenvljlen is, evenals het uitbreken van tanden, een gewoonte, die bij vele natuurvolken verbreid is. Vele stammen, vooral in Afrika en Australië, laten zich de voorste tanden geheel of gedeeltelijk uittrekken of uitslaan. In Polynesië geldt het uittrekken van een of meer tanden als een bewijs van rouw. Ook in Insulinde komt het afvijlen of süjpen van de tanden, dat meestal met een zaagje, beiteltje, vijltje of hamertje, soms met een steen geschiedt, voor. Op sommige eilanden worden de voortanden tot op het tandvleesch afgeslepen op andere worden zij alleen gelijk gemaakt, elders, zooals in Centraal-Celebes bij de vrouwen, met een stuk ijzer uitgeslagen. Soms worden de voorvlakken van de tanden nog bewerkt, bijv. door een gleuf. Ook worden de tanden wel spits, driehoekig of zaagvormig geslepen. Gewoonlijk geschiedt deze bewerking bij het intreden der puberteit of bij het voltrekken van het huwelijk, bij enkele stammen ook na het huwelijk, na den dood van de naaste verwanten of bij de een of andere plechtigheid. Sommige volken maken de tanden na het vijlen zwart, andere bedekken ze met plaatjes van goud of een ander metaal.

Tandheelkunde is dat gedeelte der algemeene heelkunst, dat zich bezig houdt met den bouw der tanden, met de verpleging der gezonde tanden, met de genezing der zieke tanden en met het aanvullen van verloren tanden. Men had reeds tandartsen in de dagen der Oudheid, daar men meldt, dat zelfs bij Egyptische mummiën met goud gevulde tanden gevonden zijn. Volgens de Israëlietische wet mocht men de overledenen vóór de begrafenis ontdoen van al hun goud behalve dat, hetwelk zij in den mond droegen. In nieuweren tijd legde Fouchard te Parijs in zijn geschrift: „Le chirurgien dentiste" (2 dln., 1728) de grondslagen voor de tandheelkunst, en in de laatste jaren is op dit gebied veel gedaan.

Tandjoeng- of Tandjong (maleisch) beteekend:

Tandjoeng- Pinang: een afdeeling van de residentie Riouw en Onderhoorigheden, omvat het

noord-oostelijk gedeelte van den Riouw-Lingga archipel en bestaat uit de Bentan-, Reraparg-Galang- en Abanggroep. Het aantal eilanden bedraagt ongeveer 150. Zij zijn voor het grootste deel heuvelachtig, hier en daar verheffen zich hoogere toppan, die op enkele plaatsen door ruggen verbonden zijn. Op Bentan, het grootste eiland, vindt men den Grooten en den Kleinen Bentanberg. den Goenoeng Kidjang en den Goenoeng Koewas. De belangrijkste riviertes op dit eiland zijn: de Radja, de Ebang, de Bentan, de Tjaroek Baroe, de Tjarang, de Belading, de Mando en de Enam, op de andere eilanden komen geen rivieren van eenige beteekenis voor. De binnenlanden van al de grootere eilanden zijn bewoond door Chineezen; Maleiers wonen langs de kusten op de kleinere eilanden. De grootste Chineesche nederzetting is Sengarang op het evenzoo genoemde eiland. De in deze afdeeling gedreven kleinhandel is meest in handen van Chineezen, ook de meeste handwerkslieden vindt men onder hen. Op de westkust van Sengarang exploiteeren zij een steengroeve en vervaardigen vloersteenen, grafsteenen, pilaren enz. In de kampong Sengarang worden eendeneieren kunstmatig uitgebroed. Op Penjengat worden zijden kleedjes geweven. De veestapel bestaat hoofdzakelijk uit varkens. Het voornaamste gewas is de kokospalm.

Tandjoeng' Pinang: de hoofdplaats van de gelijknamige afdeeling, lag vroeger op een eiland, dat thans, door het dichtslibben van de kreek Selat Ajoe, als een schiereiland met het eiland Bentan is vereenigd. Het terrein is heuvelachtig, alleen?aan de baai van Riouw ligt een breede strook alluvium. Het fort Kroonprins ligt op een heuvel, het residentiegebouw ligt aan de zee, links en rechts daarvan vindt men Europeesche woningen. Verder bezit de plaats een kerk, een steenen gevangenissen een gouvernementsschool voor Europeesche kinderen. Het Chineesche gedeelte bestaat gedeeltelijk uit steenen hnizen, gedeeltelijk uit paalwoningen. De plaats is door het droogvallen van het strand bijleb en door gebrek aan goed drinkwater ongezond. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 4088, waarvan 128 Europeanen, 1461 inlanders, 2406 Chineezen, 2 : Arabieren en 91 andere Vreemde Oosterlingen.

Tandjong: Priok. Zie Batavia.

Tandkarpers. Zie Cyprinodonlidae.

Tandoewi, Tji, of Tji Tandoej, een rivier op i Java, ontspringt op de vulkaanruïne Tjakraboewana, en vormt eerst de grens van de Preanger Regent-

- schappen met Cheribon, later van eerstgenoemde i residentie met Banjoemas. Aan den voet van de ; Tjakraboewana breekt de rivier eerst door den west telijksten uitlooper van het Tjendanagebergte, komt

- dan in een breed en vruchtbaar dal, verlaat bij Int dihiang haar zuidelijke richting en stroomt naar het b oosten, gaat langs de vlakte van Tasikmalaja en t wordt bij Bandjar voor prauwen bevaarbaar. Nar dat zij de Tji Djolang opgenomen heeft, stroomt zij i door een groote moerasvlakte, neemt dicht bij haar i monding de Tji Seël op, breekt door den heuvelrug " van Kalipoetjang en mondt uit in de MauritsbaaL ;, Over de rivier liggen 2 spoorwegbruggen.

l. Tandpijn of kiespijn (odontalgie), een pijn, wel.: ke naar gelang der oorzaak min of meer hevig kan zijn, heeft haar zetel in de zenuwen der tanden en e tevens naar gelang der sympathisch aangedane zet nuwen een zeer verschillende uitgestrektheid. Men

Sluiten