Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zuiden en oosten van Zuid-Amerika in dichte \ wouden, wentelt zich gaarne rond in modderpoelen, t zwemt en duikt uitmuntend, is zeer vreedzaam en n schuchter en valt slechts zelden in woede zijn vijand li aan. Hij verschuilt zich gewoonlijk bij dag en a zoekt bij avond en bij nacht plantenvoedsel, zoodat g hij dikwijls groote verwoestingen aanricht in de plantages. Het wijfje werpt een gestreept jong. Men gebruikt de huid en het vleesch van dit dier.

Tapisseriewerk is oorspronkelijk de naam van tapijten, die inzonderheid als wandbekleeding dienden. Later gaf men dezen naam aan tapijtachtig borduurwerk, dat bestaat uit allerlei figuren, die met verschillende soorten en kleuren wol en zijde op stramien, Java- of Panamagaas, stramienpapier of een andere grondstof worden gewerkt. Meestal gebruikt men voor dit werk den gewonen kruissteek. Tapisseriewerk wordt o. a. gebruikt voor pantoffels, vloerkleedjes, werktaschjes, overtrekken van kussens, schelkoorden, voetzakken, etagères enz.

Tappenbeck, Rans, een Duitscli Afrikareiziger, geboren den 14den Januari 1861 te Wolsier bij Rathenow, werd in 1880 luitenant, nam van 1884—1885 deel aan de Kongo-expeditie van het Duitsch Afrikaansche genootschap en onderzocht in 1887, in opdracht van de rijksregeering, het achterland van Kameroen. Een verwonding, daarbij opgedaan, dwong hem om in 1888 naar het vaderland terug te keeren. Toch ging hij spoedig daarna weder naar Kameroen, waar hij tusschen de rivieren Njong en Sanaga een post vestigde. Na zijn terugkeer naar de kust overleed hij den 26 sten Juli 1889 aan de koorts.

Tappert, Wilhelm, een Duitsch muziekkenner, geboren den 19den Februari 1830 te Oberthomaswaldau bij Bunzlau in Silezië, bezocht de kweekschool te Bunzlau, was als onderwijzer werkzaam en vertrok in 1856 naar Berlijn, waar hij de nieuwe Academie voor Toonkunst bezocht, en studeerde onder leiding van Déhn en Kullak. Eerst begaf hij zich naar Groszglogau, maar vestigde zich in 1866 te Berlijn, waar hij als muziekcriticus en leeraar werkzaam was. Hij schreef: „Musik und musikalische Erziehung" (1867), „Musikalische Studiën' (1868), „Das Verbot der Quintenparallelen" (1869), „Wagner-Lexicon" (1877), „Richard Wagner" (1883) en „Wandernde Melodien" (2de druk, 1890). Ook schreef hij een bundel „Gedichte" (1878), componeerde werken voor piano, liederen, bewerkte Oud-Duitsche liederen en gaf een bundel oude liederen voor de luit in het licht. Hij overleed den 27"len October 1907 te Berlijn. ►

Tapti is de naam van een rivier in W. Engelsch Indië, die bij Betoel in de Centraal provinciën ontspringt en bij Soerate in de Golf van Cambay uitmondt. De rivier, die 720 km. lang is, is slechts in haar benedenloop bevaarbaar.

Taptoe is de naam van het avondsignaal, waardoor de soldaten worden gelast zich naar hun kazernes, kwartieren of tenten te begeven. Het wordt gewoonlijk gegeven te 9 uur. Het woord schijnt afkomstig te zijn van een voormalig gebruik der politie, om op een bepaalden tijd de herbergen rond te gaan en te zorgen voor het sluiten van den tap of de kraan.

Tapeten noemt men gewerkte, geknoopte, gestikte of geweven kleeden, welke dienen om

vloeren te beleggen, wanden te behangen of meubels te bekleeden. Het meest algemeen, zonder rekening te houden met den aard van hun samenstelling, vinden zij in de Aziatische landen, vanwaar zij afkomstig zijn, toepassing. In Europa worden doorgaars geknoopte tapijten als vloerkleeden gebruikt, terwijl gewerkte tapijten dienen als wandbekleeding en dan veelal den naam van gobelins (zie aldaar) dragen. De knooptapijtnijverheid heeft vooral in Perzië en Britsch-Indië een hoogen trap van ontwikkeling bereikt; niet alleen in technisch opzicht, maar ook wat kleuren en patronen betreft. Want van oudsher zijn tapijten in den Levant de voornaamste dragers van de kunstvormen geweest. Zeden en godsdienstige gebruiken hebben op hun ontwikkeling invloed gehad, terwijl zij aan de tentvormige, lichte nomadenwoningen, naast de beschutting tegen invloeden van het weder, als het ware het architektonisch verband gaven, waardoor behoefte en versiering in het tapijt vereenigd zijn. Dit laatste maakte hen ook in Europa meer en meer onmisbaar en verklaart den steeds toenemenden invoer van Oostersche tapijten, die ten deele voor artistieke doeleinden (Holleintapijten), ten deele tot meubileering van woonvertrekken gebruikt worden. Want eerst omstreeks het midden van de 19de eeuw kan men van een eigenlijke loiooptapijtnijverheid in Europa spreken; tot op dien tijd voldeden de Oostersche voortbrengselen in de behoeften. Deze zijn gevlochten of geknoopt. De eerste vormen een glad weefsel, waarvan de ketting uit linnen- of katoen garen bestaat en door een in-slag van wol geheel bedekt wordt, zoodat een geripte stof ontstaat. De inslag wordt evenwel niet over de volle breedte van de stof verwerkt, maar slechts op bepaalde plaatsen met den ketting verbonden. De geknoopte, plucheachtige tapijten worden vervaardigd door bij een katoenen, linnen of wollen ketting, die op een loodrecht staand raam is gespannen, en waarvoor de arbeiders of arbeidsters alleen of verschillende samen op één bank zitten, telkens om één of om elke twee kettingdraden bundeltjes woldraden zoodanig teknoopen, dat de uiteinden als een dubbele bundel aan de voorzijde in de hoogte steken. Dit herhaalt zich over de volle breedte, in rijen, die stuk voor stuk met den ketting door 2 4 draden op de wijze van linnenweefsel verbonden worden, waardoor ten slotte een pluche- of flu, weelachtige oppervlakte ontstaat. Met handscha-

- ren worden daarna de bundeltjes precies gelijk gei knipt. De wijze, waarop de knoopen gelegd worden, i kan verschillend zijn, zonder dat daardoor het voorkomen van het tapijt-oppervlak geschaad wordt.

i In Europa wordt intusschen slechts één wijze van

- knoopen gevolgd. De kunstwaarde van een tapijt

- wordt grooter, als de ingeknoopte woldraden niet ï lang zijn gelaten, maar, evenals bij fluweel, kort geschoren. Om daarbij de dichtheid van het weefsel

- te verhoogen, worden gedurende de bewerking de r aangebrachte knoopen met behulp van een kamt vormig werktuig tegen elkander geslagen. Het aan-

- tal knoopen, dat een arbeidster per dag, volgens de

- meest gebruikte knoopmethode, leggen kan, bee draagt ongeveer 7000. Daarvan komen er bij grove f weefsels 144 per 10 v. cm., bij die van gemiddelde

qualiteit 225 en bij de fijnste 376. Het materiaal der >, knoopen bestaat uit schapenwol, geiten- en kameeln haar en uit vilt. Zijden tapijten met goud en zilver-

Sluiten