Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Laos, Birma enz.) is liet daarentegen nog zeer in zwang; in Japan is het tegenwoordig verboden. Volgens berichten van Herodotos, Strabo en Plinius heerschte deze gewoonte ook in Thracië, Dacië, Sannatië en Agathyrsië (Zevenburgen). Bij de oude Assyriërs wordt het tatoeëeren dikwijls vermeld; op verschillende plaatsen in den Bijbel wordt het aan de Joden verboden. Bij de Christenen bleef daarentegen gedurende langen tijd de gewoonte bestaan godsdienstige symbolen op het lichaam aan te brengen. In Europa laten matrozen, soldaten, handwerkslieden nog wel een enkel voorwerp of symbool, bijv. een anker of een pijl, op hun arm aanbrengen. Na 1890 was deze gewoonte in Engeland, Frankrijk en de Vereenigde Staten bij de jeunesse dorée een soort sport geworden, die echter niet lang stand hield.

Tatra. Zie Karpaten.

Tattersall is de naam van een vergaderplaats van sportliefhebbers te Londen. Zij ontleent haar naam aan Richard Tattersall, die in 1796 aan den zuidwesthoek van Hydepark een gebouw voor tentoonstellingen en verkoop van paarden oprichtte. Door den kleinzoon van Tattersall werd deze zeer verruimde inrichting in 1865 naar Knights- Bridge Green verplaatst. Dergelijke gelegenheden te Parijs, Berlijn enz. dragen denzelfden naam.

Tatti, Jacopo, bijgenaamd Sansovino naar zijn aldus genoemden leermeester, was een beroemd Italiaansch beeldhouwer en bouwmeester. Hij werd geboren te Florence in 1486, vervaardigde aldaar o. a. een standbeeld van den heiligen Jacobus en een marmeren Bacchus, en was van 1520—1526 als architect te Rome aan verschillende kerkelijke gebouwen werkzaam. Ook vervaardigde hij aldaar voor de Sant' Agostino een madonna met het kind. In 1527 vertrok hij naar Venetië, waar hij tot bouwmeester van de republiek benoemd werd en een buitengewone werkzaamheid ontvouwde. Hij bouwde er o. a. het paleis-Comer in 1532, de Marcusbibliotheek in 1536 de kerken San Martino in 1540, San Giorgio dei Greci in 1556 en San Giuliano in 1555 en de Zecca, alsmede te Padua het atrium der universiteit. Ook vindt men van hem te Venetië vele beeldhouwwerken.

Tattwam is in het occultisme een naam voor datgene, wat eeuwig bestaat.

Tauber, een rivier in het zuidwesten van Duitschland, ontspringt in de Taubersee bij het dorp Michelbach in Württemberg, stroomt tusschen Rothenburg efi Mergentheim door den zoogenaamden Taubergrund, bereikt daarop, bij Mergentheim het Badensche arrondissement Mosbach en mondt, steeds een noordwestelijke richting houdende, bij Wertheim uit in den Main. Zij heeft een lengte van 120 km. Het Tauberdal levert voortreffelijke wijnsoorten.

Taubert, Emil, een Duitsch dichter, geboren te Berlijn den 23sten Januari 1844, studeerde aldaar in de letteren en de wijsbegeerte, werd leeraar aan het Friedrich-Wilhelmsgymnasium en vervolgens aan de kweekschool voor onderwijzers. Hij overleed den 10dcn April 1895 te Berlijn. Van zijn werken noemen wij: „Gedichte" (1865), „Neue Gedichte" (1867), „Der Torso"" (1881), „Der Antiquar" (1882), „Marianne" (1883), „König Rother" (1883), „Laterna magica" (1886) en het tooneelstuk „Eleonora Prohaska" (1889).

Taubmann, Friedrich, een Duitsch geleerde< geboren den 15den Mei 1565 te Wonsees bij Bavreuth, bezocht de universiteit te Wittenberg en werd er in 1595 hoogleeraar in de dichtkunst en in de fraaie letteren. Hij overleed er den 24sten Maart 1613. Wegens zijn dichterlijke gaven en zijn humor werd hij vaak aan het keurvorstelijk hof geroepen en was in de hoogere kringen zeer in aanzien. Hij leverde een: „Dissertatio de lingua Latina", uitgaven van Virgilius en Plautus en een verzameling onder den titel van „Taubmanniana"(sedert 1762 dikwijls herdrukt), waarin echter ook anecdotes van anderen aan hem toegeschreven worden.

Tauchnitz, Karl Christoph Traugott, een Duitsch boekdrukker en boekhandelaar, geboren den 29sten October 1761 te Groszbardau bij Grimma, stichtte in 1796 te Leipzig een boekdrukkerij met boekhandel en wist deze allengs tot een der grootste inrichtingen van dien aard in Duitschland uit te breiden. Vooral leverde hij vele stereotype uitgaven van klassieke schrijvers, woordenboeken en Bijbels. Beroemd is ook de door hem in het Arabisch uitgegeven „Koran" (1834.) Hij overleed den 14den Januari 1836. Zijn zoon Karl Christian Philipp Tauchnitz, geboren den 4den Maart 1789 te Leipzig, zette de zaak van zijn vader tot 1865 voort, in welk jaar zij verkocht werd aan O. Holtze. Hij overleed den 16den April 1884 te Leipzig. Zijn vermogen (47a millioen mark) liet hij voor weldadige doeleinden aan de stad Leipzig na.

Tauchnitz, Christian Bernhard, vrijheer von, een neef van den voorgaande, eveneens een Duitsch boekhandelaar, werd geboren den 25sten Augustus 1816 te Schleinitz bij Naumburg, stichtte in 1837 de firma Bernhard Tauchnitz te Leipzig een boekhandel en een boekdrukkerij en heeft zich vooral bekend gemaakt door de sedert 1841 door hem uitgegeven: „Collection of British (and Ameircan) authors", van welke in 1908 meer dan 4000 deelen waren verschenen. Daarenboven legde hij zich toe op de uitgave van groote rechtsgeleerde werken en woordenboeken, alsmede van oud-Grieksche en Romeinsche schrijvers. Sedert 1866 levert hij ook een „Collection of German authors" en sedert 1886 de „Students' Tauchnitz Editions", uitgaven van Engelsche en Amerikaansche werken met Duitsche inleidingen en aanteekening. In 1860 werd hij in den erfelijken vrijheerenstand verheven, in 1877 werd hij lid van de Eerste Kamer. Ook was hij algemeen consul van Groot-Brittannië voor het koninkrijk Saksen en de Thüringsche staten. Hij overleed den 13den Augustus 1895 te Trattlau. In 1866 werd zijn oudste zoon Christian Karl Bernhard, vrijheer von Tauchnitz, geboren den 298ten Mei 1841, deelhebber in de zaak. Na den dood van zijn vader kwam deze aan het hoofd en werd eveneens algemeen consul van GrootBrittannië.

Tanenzien, Bogslaw Friedrich Emanuël, graaf von Wittenberg of Tauentzien, een Pruisisch generaal, geboren den löden September 1760 te Potsdam, was de zoon van den verdediger van Breslau, Bogslaw Friedrich von Tauenzien (f 1791). Hij trad in 1775 in Pruisischen dienst, nam deel aan den veldtocht van 1793, werd in 1801 generaalmajoor en voerde in 1806 bevel over een door prins Hohenlohe vooruitgeschoven observatiekorps. Hij werd door den maarschalk Soult teruggedrongen, maar bracht daarna, in weerwil van het rampspoe-

Sluiten