Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stock, die nimmermeer ijzer wordt" (1617), „Retentie ofte wedersteeck, gegeven met de smadelijcke stift bij eenighe bittere calvinisten ende calumniateurs enz. "(1619), „Het schilt der verdructer gemoederen" (1619) en „Tafereel, begrijpende kortelijck het groote ende werckelijk verschil, dat er is tusschen de leere der H. Schrifture ende de Gereformeerde Kercken aan de eene, ende der Contrarremonstranten aan de andere zijde" (1616).

Tellegen, Bernardus Dominicus Hubertus, een Nederlandsch staathuishoudkundige, geboren te Groningen den 268ten Augustus 1823, bezocht de Latijnsche school in zijn geboorteplaats, studeerde sedert 1840 aan de hoogeschool te Groningen in de rechtsgeleerdheid en vervolgens aan die te Utrecht. Hij promoveerde te Groningen in 1847 op een dissertatie: „De jure in mare" en vestigde zich aldaar als advocaat. In 1852 werd hij benoemd tot secretaris van de Kamer van Koophandel, in 1856 tot procureur, onderwees tevens de staathuishoudkunde aan de landhuishoudkundige school te Haren en aanvaardde den £0sten December 1860 het hoogleeraarsambt in de rechten te Groningen met een redevoering over „Volkshuishoudkunde en rechtswetenschap". De candidatuur voor het lidmaatschap der Tweede Kamer werd herhaaldelijk door hem van de hand gewezen. In 1869 werd hij lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, in 1877 bedankte hij voor een beroep naar Leiden. In zijn geschriften bewoog hij zich bij voorkeur op liistorisch-politiek gebied. Behalve eenige bijdragen in de „Nieuwe jaarboeken voor rechtsgeleerdheid en wetgeving" en in de „Opmerkingen en mededeelingen" van mrs. Oudeman en Diephuis, schreef hij o.a.: „Zal de herziening der Grondwet willekeurig of wettig tot stand worden gebracht?" (1848), „De banken van leening in Nederland" (1848), „De mestiurichting der stad Groningen" (1851), „Beginselen der volkshuishoudkunde"(1853), „Vrees en hoop aangaande het schoolwezen"(1862), „Stahl, een toespraak" (1862), „Duitschland en Nederland" (bij de aftreding als rector magnificus, 1870), en onderscheiden opstellen in letterkundige tijdschriften, zooals „De wedergeboorte van Nederland"(„Gids", 1878) en „Mr. H. van Stralen" (Ned. Spectator, 1878). Hij overleed te Groningen den 10den Februari 1885.

Teller, Wilhelm Abraham, een Duitsch godgeleerde, geboren te Leipzig den 9den Januari .1734, werd in 1755 catecheet aan de Peterskerk te Leipzig, in 1758 predikant aan de Nicolaikerk aldaar, in 1761 hoogleeraar in de theologie te Helmstedt en in 1767 opperconsistoriaalraad en proost te Berlijn. Hij werd in 1786 lid van de Academie en overleed den 8sten December 1804. Van zijn geschriften noemen wij: „Lehrbuch des christlichen Glaubens" (1764), „Wörterbuch des Neuen Testaments"(1772), „Die Religion der Vollkommenen"(1792), „Anleitung zur Religion überhaupt und zum Allgemeinen des Christentums besonders"(1792). Ook redigeerde hij het „Neue Magazin für Prediger"(10 dln., 1792—1801).

Tellez, Gabriël, genaamd Tirso de Molina, een Spaansch tooneeldichter, geboren omstreeks het jaar 1571 te Madrid, werd in 1601 lid van de Orde der Barmhartige Broeders te Toledo en bekleedde vervolgens in die Orde aanzienlijke waardigheden. In 1545 werd hij prior van het klooster Soria en overleed als zoodanig den 21Bten Maart 1648. Hij behoort tot de grootste Spaansche tooneeldichters. Hij heeft

ongeveer 400 tooneelstukken geschreven, doch daarvan is slechts een vijfde bewaard gebleven. Zij onderscheiden zich door groote oorspronkelijkheid en verscheidenheid van vinding, door stoutheid van ontwerp, door een meesterlijke karakterteekening en door een uitstekende taal. Voortreffelijk zijn vooral de blijspelen, van welke sommige tot nu toe op het repertoire zijn gebleven. Tot de beste behooren: „Don Gil de las calzas verdes", „La celosa delsi misma", „La villana de Vallecas", „No hay peor sordo que al que no quiere oir", en „Marta la piadosa", de geniale klucht: „El amor medico" en andere stukken. Van zijn meer ernstige werken noemen wij: „Escarmientos para el cuerdo", „La prudencia en la mujer" wordt ham misschien, evenals de „Burlador de Sevilla, ó el convidado de pietra" de eerste dramatische bewerking der sage van „Don Juan" ten onrechte toegeschreven. Een verzameling van zijn tooneelstukken is van 1627—1637 in 5 deekn te Madrid en Tortosa in het licht verschenen. Een goede uitgave van zijn „Comedias" bezorgde Hartzenbusch (12 dln., 1839—1842). Later ontdekte werken vindt men in deel 12 van de „Coleccion de libros espanoles raros y curioses" (1878) en in dl. 57 en 58 van de Leipziger „Coleccion de autores espanoles" (1887). Zijn eerste werk „Los Cigarralos de Toledo"(1621) bevat uitstekende novellen, zijn „Autos" komen in de verzameling ,,Deleytaraprovechando"(1635) voor.

Teil, Het (Arabisch Toeloel of Teloel= heuvels), is de vruchtbare, voor graanbouw geschikte landstreek ten N. van het Atlasgebergte in N.W. Afrika, die zich van Marokko tot Biskra (Algerië) uitstrekt en bijna overal 190 km. breed is.

Teil Hum is de naam van een verzameling bouwvallen aan den noordwestelijken oever van het Meer Genezareth. De meeste bijbelvorschers beschouwen deze plaats als het Capernaum van het Nieuwe Testament, anderen zien in haar do in Mattheus 11, vers 21 genoemde stad Chorazin.

Tellkampf, Johann Ludivig, een Duitsch staathuishoudkundige, geboren te Bückeburg den 28sten Januari 1808, studeerde te Göttingen, vestigde zich in 1835 aldaar als privaatdocent, begaf zich in 1838 na de afschaffing der Grondwet in Hannover naar Amerika en was er tot 1846 hoogleeraar in de staatswetenschappen,'eerst aan het Union College en daarna aan het Columbia College te New-York, en schreef, behalve onderscheiden verhandelingen: „Ueber die Besserungsgefangnisse in Nord-Amerika und England"(1844). Weldra werd hij door de Pruisische regeering belast met een onderzoek naar den toestand der gevangenissen in Engeland, Frankrijk en Noord-Amerika en benoemd tot hoogleeraar in de staathuishoudkunde te Breslau. In 1848 behoorde hij tot de commissie voor het ontwerpen van een grondwet in het Parlement te Frankfort, was van 1849—1851 lid van de Tweede Kamer in Pruisen, werd in 1855 lid van het Huis der Heeren als afgevaardigde van de Universiteit te Breslau, waar hij tot de liberale minderheid behoorde, nam in 1871 zitting in den Duitschen Rijksdag, waar hij zich bij de nation aalliberalen voegde, en overleed den 15deB Februari 1876. Van zijn overige talrijke geschriften noemen wij: „Der Norddeutsche Bund und die Verfassung des deutschen Reichs"(1866), „Die Prinzipien des Geld- und Bankwesens"(1876), „Essays on law reform, commercial policy, banks, penitentiaries etc. in Great Britain and the United States"(1857)

Sluiten