Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trentsjin-Teplits of Trencsèn-Hölak, een badplaats, 10 km. ten N.0. van Trentsjin, die reeds in de 14de eeuw bekend was, ligt in een zijdal van de Waag aan 2 spoorwegen en bezit beroemde zwavelbronnen, waar lijders aan rheumatisme, jicht, verlamming, neuralgie, syphilis en skrofulose genezing zoeken. De plaats bezit vele villa's, een fraai park, een schouwburg, een militair hospitaal en (1901) 1414 inwoners.

Trepanatie is de naam voor een operatie op éen der beenderen, waarbij een gedeelte daarvan met de boor of zaag weggenomen wordt. Zij wordt vooral toegepast op de beenderen van den schedel, wanneer deze door uitwendig geweld ingedrukt of inwendige beenschilfers losgeraakt zijn en de hersenen benadeelen, wanneer vreemde lichamen, zooals kogels, punten van messen enz., in de hersenpan zijn doorgedrongen en er kans bestaat, deze en tevens dreigende verschijnselen te verwijderen en wanneer tusschen de schedelbeenderen en de hersenen of ook in de bovenlagen van deze laatste bloed en etter zijn opgiehoopt. Het instrument, hetwelk men daarbij bezigt, draagt den naam van trepan en zijn getand uiteinde, op een cirkelzaag gelijkend, dien van trepanhroon. Het uitgezaagde beenstuk wordt met een soort van hefboom (tirefond) weggenomen.

Tréport, Le, een stad in het Fransche departement Seine-Inférieure, ligt op de plaats, waar de Bresle in het Kanaal uitmondt, aan een steile rotskust en aan den Noorder spoorweg. Er is een stadhuis, een kerk, een haven, waar (1901) 326 schepen van 880 31 ton binnenliepen, een Kamer van Koophandel enz. Het aantal inwoners bedraagt (1906) 4 619, als gemeente 4985. De plaats is een druk bezocht zeebad; verder houden de inwoners zich bezig met visscherij, touwslagerij en scheepsbouw. Aan den rechteroever van de Bresle ligt het dorp Abers, dat tot het departement Somme behoort.

Trepow, Dimitrij Feodorowitsj, een Russisch generaal, een zoon van het stedelijk hoofd van St. Petersburg, die door WjeraSassoelitsj vermoord werd, geboren in 1855, werd opgevoed in het corps van pages en nam dienst bij de garde te paard. In den oorlog van 1877 werd hij bij Telitsj gewond. In 1896 benoemd tot hoofd van de politie te Moskou werd hij in 1905 gouverneur-generaal van de stad en het gouvernement St. Petersburg. Een moordaanslag op den 30,ten Maart van dat jaar mislukte.Den 5den Juni werd hij aan het ministerie van Binnenlandsche Zaken toegevoegd met de volmacht van een politieminister, den 9den Juni werd hij chef van de paleiswacht. Hij overleed den 15den September 1906.

Treptow aan de Tollense of Oud-Treptow, een stad in het Pruisische distrikt Stettin, ligt aan de Tollense en aan 2 spoorwegen. Men vindt er een Protestantsche kerk, een standbeeld van keizer Wilhelm 1, een rechtbank, een ijzergieterij, 2 stoomzaagmolens, een bierbrouwerij, een tichelfabriek en(1905) 4429 inwoners. Omstreeks 1245 wordt Treptow als stad vermeld.

Treptow aan de Eega of Nieuw-Treptow, een stad in het Pruisische distrikt Stettin, ligt aan de Rega en aan 2 spoorwegen. Men vindt er 2 Protestantsche kerken, een synagoge, een gedenkteeken voor Blücher en een ter herinnering aan den oorlog van 1870, een gymnasium, een landbouwwinterschool, een school voor onderofficieren, een krankzinnigengesticht, een rechtbank enz. De plaats bezit

nijverheid. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 7794. In de nabijheid bevindt zich het remontedepot Neuhof, Treptow en het voormalige Praemonstratenserklooster Belbuck. In 1543 werd op den Landdag te Treptow besloten de Hervorming in Pommeren in te voeren.

Treptow bij Berlijn, een gemeente in het Pruisische distrikt Potsdam, ligt op de plaats, waar een zijtak van het Teltowkanaal in de Spree uitmondt, aan de ceintuurbaan van Berlijn en is door verschillende tramlijnen en een stoomvaartlijn met Berlijn verbonden. Men vindt er een groot park dat aan Berlijn behoort, met een standbeeld van den directeur Meyer, een sterrenwacht, de Friedrich Wilhelm-Victoriastichting en een aantal fabrieken en magazijnen. Het aantal inwoners bedraagt (1905) 11 312. Treptow wordt als uitspanningsplaats veel door Berlijners bezocht.

Tresling-, Theunis Eaakma, een Nederlandsch letterkundige en rechtsgeleerde, geboren te Leeuwarden den lsten Januari 1769, studeerde te Groningen, verdedigde er een opstel over de „Ars critica" en gaf kort daarop zijn „Adversariorum criticorum specimen" in het licht, benevens onderscheiden Latijnsche en Grieksche verzen. Na zijn promotie vestigde hij zich te Groningen als advocaat. Hij schreef: „Verhandeling over het recht van beklemming in het departement van stad en lande van Groningen" (1805), „Bericht betrekkelijk het recht van beklemming, met bijvoegsels op mijn verhandeling daarover"(1819), „Verhandeling over hetgeen thans voor onze burgerlijke rechtsgeleerdheid en wetgeving te doen is"(1811), een „Memorie van rechten over het beheer van registratie en hypotheken" (1821, met mr. H. O. Feith), „Hulde aan nu wijlen den hoogleeraar A. J. Duymaer van Twist"(1821), en „Memorie van recht over de ontzetting van eigendom bij beslag op een ondeelbaar vast goed"(1823). Hij was lid van de Provinciale Staten van Groningen, van den gemeenteraad en van de plaatsselijke schoolcommissie en plaatsvervangend rechter in de rechtbank van eersten aanleg aldaar, overste van het zijlvest der Drie Delfzijlen en lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Hij overleed te Groningen den 22aten October 1828.

Tresling, Tjalling Petrus, een zoon van den voorgaande, eveneens een letterkundige en rechtsgeleerde, geboren in 1908 te Groningen, studeerde aldaar en gaf reeds in 1829 een vertaling in het licht van een roman van Xemphon de Ephesiër, vervolgens in 1830 een verhandeling over het leven en de verdiensten van Ricdolphus Agricola, waarna hij met zijn „Disquisitio historica de prudentia Giulielmi I, principis Arausiaci in republica perturbata" en met „Cicero's wetenschappelijk leven, uit diens brieven geput" tot tweemaal toe door de Utrechtsche hoogeschool bekroond werd. Nadat hij in 1830 deelgenomen had aan den Tiendaagschen Veldtocht, promoveerde hij in de letteren en in de rechten in 1834 op twee proefschriften: „Over de wijze, waarop de Romeinen de overwonnen volken beheerschten", leverde vervolgens het geschrift: „De warven en de hoofdmannenkamer", benevens onderscheiden gedichten, werd lid van het Friesch en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap en van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hij overleed den 12den Juli 1844.

Sluiten