Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te Leiden en aanvaardde die betrekking met een redevoering over: „De verdiensten der Nederlanders op het gebied der bekkenleer". Van zijn geschriften noemen wij verder: „Over carbol-intoxicatie" (1880), „Over het afscheuren der strekpees van den derden phalanx" (1881), „Over zoogenaamd# aseptische wondkoorts"(1881), „Bijdrage tot de casuistiek en diagnostiek der luxatio femoris obturatoria"(1882), „Zeldzaam mechanisme van fractura claviculae" (1884), „Kritische onderzoekingen over het mechanisme der schedelbasisfracturen" (1884), „Bijdrage tot de kennis van den pols bij hersendruk" (1884), „Casuistische bijdrage tot de operatieve gynaecologie" (1885), „Recherches sur le bassin cyphotique". Met atlas. (1889), „Fibromyonen en zwangerschap"(1894), „Enteroptose, de ziekte van Glénard" (1895), „Patiënt en geneesheer"(1892), „Zur Stumpfbehandlungsfrage bei der Myomohysterectomie" (1895), „Universitat und Vaterland. Eine Wehrschrift" (1897), „De wondbeliandeling in haar tegenwoordigen vorm" (le dr. 1885, 2e dr. 1898), „Het levensrecht der ongeboren vrucht. Strijdschriften" (1901. Mede geschreven door H. Oppenraay en Th. M. Vlaming. Hiervan verscheen in 1903 een Amerikaansch-Engelsche vertaling), „Medische fatsoensleer. Drie colleges"(1903), „Verspreide opstellen" (le en 2e dr. 1904), „Leerboek der gerechtelijke verloskunde." (met A. Tak, 1908). Zijn hoofdwerken zijn wel „Leerboek der gynaecologie." (2 dln., 1892, 5° dr. 1910) en het in samenwerking met nu wijlen prof. G. H. van der Mey geschreven „Leerboek der verloskunde"(1897,1900, 4e dr. 1908). Bovendien verschenen van hem tal van verhandelingen in het Nederlandsch tijdschrift voor verloskunde en in andere,ook buitenlandsche periodieken.

Treub, Mr. Marie Willem Frederik, een Nederlandsch staathuishoudkundige en politicus, werd den 308ten November 1858 te Voorschoten geboren, waar zijn vader burgemeester was. Na op diens kantoor een paar jaar werkzaam te zijn geweest, deed hij in 1880 examen voor candidaat-notaris en kwam in hetzelfde jaar in dienst bij de posterijen. In 1881 geslaagd voor het staatsexamen, liet hij zich te Leiden als student in de rechten inschrijven. In 1883 werd zijn antwoord op een prijsvraag, uitgeschreven door de Utrechtsche universiteit,met goud bekroond, welk antwoord, als academisch proefschrift eenigszins omgewerkt, hem in 1885 den doctorstitel in de beide rechten deed verwerven. Hij vestigde zich daarna als advocaat en privaatdocent voor het notariaat te Amsterdam,waar hij weldra zitting kreeg in den gemeenteraad en van 1893 tot 1896 wethouder, eerst van financiën, later van publieke werken was. Tevens was hij directeur van het onder zijn leiding opgerichte Centraal Bureau voor sociale adviezen. In 1896 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de staathuishoudkunde en statistiek aan de Amsterdamsche hoogeschool, van welk ambt hij in 1905 eervol ontslag vroeg en verkreeg, nadat hij een jaar te voren üd van de Tweede Kamer was geworden, waarin hij nog zitting heeft. Aan talrijke congressen over coöperatie en andere onderwerpen van socialen aard nam hij deel. Langen tijd was hij hoofdredacteur van het „Weekblad voor privaatrecht, notarisambt en registratie" en van het „Sociaal Weekblad". In de politiek is hij de leider der vrijzinnig-democraten. Hij is ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw. Vooral in „Vragen des tijds" verschenen be¬

langrijke artikelen van zijn hand. Zijn voornaamste werk is wel „Het wijsgeerig-economisch stelsel van Karl Marx. Eene critische studie" (2 dln., 1902, 1903). Bovendien zagen o. m. van hem de volgende werken het licht: „Ontwikkeling en verband van rijks-, provinciale- en gemeentebelastingen in Nederland". Academisch proefschrift (1885), „Over de civielrechterlijke verantwoordelijkheid van den notaris, naar aanleiding van het jongste ontwerp van wet tot regeling van het notarisambt" (1887), „De radicalen tegenover de sociaal-democratische partij in Nederland" (1891), „Een drietal hoofdstukken uit de geschiedenis der staathuishoudkunde" (1899, 2de druk, 1904), „Over coöperatie" (1898), „Het economisch standpunt der vrijzinnig-democraten" (1901), „Sociale vragen. Verzamelde opstellen" (1904), „Vrijhandel en bescherming voor Nederland"

(1904), „Vanwaar moeten de millioenen komen?"

(1905), „Over sociale verzekering" (1906), „Vrijheid en democratie" (1909).

Treurspel. Zie Tragedie.

Treurwilg (Salix bahylonica) is de naam van een soort wilg (zie aldaar), die wegens haar dunne, neerhangende takken dikwijls op kerkhoven als teeken van rouw wordt geplaatst.

Trevelyan, sir George Otto, een Engelsch schrijver en staatsman, een neef van Macaulay, geboren den 20sten Juli 1838 te Rotliley Temple in Leicéstershire, studeerde te Cambridge, werd in 1865 lid van het Parlement en voegde zich bij den linker vleugel der liberale partij. In 1869 was hij onder Gladstme gedurende korten tijd lord, van 1880—1882 secretaris van de Admiraliteit. In Mei 1882 werd hij, als opvolger van lord Cavendisli, oppersecretaris van Ierland, in 1884 was hij korten tijd kanselier van Lancaster, in 1886 was hij gedurende een maand staatssecretaris van Schotland. In hetzelfde jaar ontstond er een verwijdering tusschen hem en Gladstone, omdat hij zich met diens gevoelen omtrent de Home rule niet vereenigen kon. In 1887 ontstond er echter een verzoening. Van 1892—1895 was Trevelyan opnieuw staatssecretaris van Schotland. In 1897 trok hij zich uit het openbaar leven terug. Hij schreef: „Competition Wallah" (1864), „Cawnpore, and the massacre there" (1865), „Ladies in Parliament" (1870), „The life and letters of lord Macaulay" (2 dln., 1876), „The early history of Charles James Fox" (1880), „The American revolution" (dl. 1 en 2, 2de druk, 1905; dl. 3, 1907) en „Interludes in verse and prose" (1905).

Treviglio, een stad in de Italiaansche provincie Bergamo, ligt 126 m. boven den zeespiegel aan 2 spoorwegen en aan eenige tramlijnen en bezit de kerk San Martino met een altaarstuk van Butione (1485), een technische school, een kweekschool voor onderwijzers, een bibliotheek, een schouwburg enz. Het aantal inwoners bedraagt (1901) 10 458, van de gemeente 15 138. Men vindt er steengroeven, ijzerindustrie, zijdeteelt, zijdespinnerij en - weverij, wolweverij, ververij, boekdrukkerij, fabricage van chemische produkten en bakkersartikelen en een levendigen handel.

Trevir. is bij plantennamen een afkorting van Christian Ludolf Treviranus (1779—1864).

Treviren, Treviri of Treveri is de naam van een volk in Belgisch Gallië, dat misschien tot den Gremaanschen stam behoorde. Hun taal was

Sluiten