Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en onder dezen 60 Christenen, voorgelegd, maar eenstemmig verworpen. Midhat werd den 5"cn Februari 1877 verbannen en door Edhem-Pasja vervangen. Tengevolge daarvan eindigde de eerste zitting van de Turksche Kamer in Februari 1877 zonder resultaat. Daardoor nam de overmoed van Rusland toe (zie Russisch-Turlcsche oorlog van 1877 en 1887). Den 16den Mei werd de kleine vesting Ardahan door de Russen veroverd. Den 18den Juni bereikten de Russen de Dobroedsja, trokken den 27Bten van die maand bij Sistowa over de Donau, zonder hierin door den Turkschen opperbevelhebber Abdoel Kerim te worden gehinderd, veroverden den 6den Juli Tirnowa, trokken den 12den Juli langs den Twyodisjkapas over den Balkan, brachten de Bulgaren in Noord-Thracië in opstand, veroverden den 19den Juli stormenderhand den Sjipkapas, namen Jamboli, Karlowo en andere steden ten zuiden van den Balkan in bezit, bemachtigden Nikopoli aan de Donau en belegerden Roestsjoek. Bij hun pogingen om de versterkte hoogten van Plewna te veroveren, leden de Russen den 20sten 218ten en 31sten Juli een nederlaag. In Thracië werden zij door Soeleiman-Pasja aangetast, zoodat zij naar den Sjipkapas moesten terugtrekken; ook in de Donaugewesten werden zij over de Zwarte Lom teruggeslagen. Zij namen nu het bondgenootschap met de Roemeniërs aan. Bij een vernieuwden aanval op Plewna van den 7den tot den 12den September leden zij weder belangrijke nederlagen. Ook in Azië streden zij niet voorspoedig en moesten de wijk nemen naar hun eigen grondgebied, totdat zij den 15den October op den Aladjaberg een overwinning behaalden. Den 18dcn November gaf Kars zich over en de Turken werden teruggedrongen naar Erzeroem. In Bulgarije echter veroorzaakte de val van het heldhaftig verdedigde Plewna (10 December) het verlies van het westelijk gedeelte van het land, waar tevens de Serviërs doordrongen, terwijl de Montenegrijnen voorwaarts rukten in Albanië.Terstond na den val van Plewna maakten de Russén zich gereed, op verschillende plaatsen over den Balkan te trekken. Het leger van Soeleir man werd bij Philippopel geheel en al vernietigd, het Sjipkaleger gevangen genomen en den 31sten Januari 1878 werd te Adrianopel, dat door de Turken uit eigen beweging was ontruimd, door de Russen, die reeds tot aan de Zee van Marmora en tot voor de poorten van Konstantinopel waren doorgedrongen, een wapenstilstand afgekondigd. Daarop volgde, daar de Turken nergens hulp vonden, den 3den Maart de Vrede van San Stefano. De onafhankelijkheid van Roemenië en Servië, de uitbreiding van dit laatste en van Montenegro, de afstand van de Dobroedsja en van een gedeelte van Armenië de vorming van een onafhankelijk vorstendom Bulgarije, dat behalve eigenlijk Bulgarije een groot gedeelte van Roemelië en Macedonië omvatte, werd daarbij vastgesteld, en de betaling van een aanzienlijke oorlogsschatting aan Turkije opgelegd. De uitvoering dier bepalingen ondervond echter eenige vertraging door een botsing tusschen Rusland en Engeland, welk laatste land een vloot in de Zee van Marmora deed binnenloopen.

Terwijl de Mogendheden door een congres een vreedzame oplossing van de Oostersche kwestie trachtten te bewerken, steeg te Konstantinopel de verwarring ten top. Ministers werden voortdurend

benoemd en ontslagen. De Kamers waren reeds in Februari naar huis gezonden en daarmede nam de komedie der „Osmaansche constitutie" een einde. In Mei 1878 werd een samenzwering ten gunste van Moerad, den broeder van Abdoel Hamid ontdekt en op een bloedige wijze onderdrukt. Den lsten Juni werd Mehemed Roesjdi-Pasja weder tot grootvizier benoemd. Op zijn aandringen sloot de Porte den 4den Juni met Engeland een verdrag, volgens hetwelk dit rijk zich met de heerschappij der Aziatische bezittingen van Turkije belastte, zoolang Rusland niet afzag van zijn veroveringen in Armenië, en tevens het recht verkreeg, Cyprus te bezetten. Mehemed werd reeds den 88ten Juni door SavfetPasja vervangen. Deze leidde de Turksche staatkunde gedurende het Berlijnsch Congres (zie aldaar). De Porte erkende weliswaar de besluiten van het Congres, doch maakte geen haast met de uitvoering. De definitieve vrede met Rusland werd den 88ten Februari 1879 onderteekend en de oorlogsschatting op 802 millioen franks bepaald. Door de conventie van den 21sten April 1879 met Oostenrijk behield de sultan de souvereiniteit over Bosnië en Herzegowina.

De macht van het Turksche rijk was door deze gebeurtenissen en door den voortdurenden geldnood belangrijk verminderd. De Grieken verkregen op de Berlijnsche Conferentie van 1880, dat de Porte den 3den Juli 1881 bijna geheel Thessalië en het distikt Arta aan hen afstond. In 1880 moest zij haar eigen onderdanen in Albanië met geweld tot onderwerping aan Montenegro dwingen. Haar poging in 1879, toen de khedive van Egypte afgezet werd, haar souvereiniteitsrechten over dit land te vermeerderen, mislukte door den tegenstand der Mogendheden. In 1882 werd Egypte door Engelsche troepen bezet, in 1881 ging Tunis aan Frankrijk verloren. Sedert de ontbinding van den Driekeizersbond had Turkije echter bij Duitschland en Engeland steun gevonden, waardoor het zijn bezittingen in Europa behouden en zijn invloed in Azië en Afrika uitbreiden kon. In 1883 werd tot vermeerdering van inkomsten de tabaksregie ingevoerd, in 1887 trad een nieuwe legerwet in werking. In 1885 vereenigde Alexander van Bulgarije de Turksche provincie Oost-Roemelië met zijn gebied, zonder dat Turkije zich krachtig er tegen verzette. Ook bij de verdere gebeurtenissen in Bulgarije bleef het werkeloos. De oorlogszuchtige houding van Servië en Griekenland noodzaakte Turkije een groote legermacht op de been te brengen, zoodat het een leening bij de Ottomaansche Bank moest sluiten en een deel van zijn inkomsten verpanden. In Armenië braken bij herhaling opstanden uit, zoo in 1894 en in 1900. Een opstand op Kreta in 1896 scheen door een aantal beloften van den sultan te worden onderdrukt; in 1897 echter ontstond er opnieuw oproer,waarbij Griekenland openlijk voor de opstandelingen partij koos. Den 17den April 1897 verklaarde Turkije aan Griekenland (zie aldaar) den oorlog, dien het gelukkig voerde, doch waarbij het door de tusschenkomst der Groote Mogendheden, weinig voordeelen behaalde. In 1898 verloor de Porte feitelijk de souvereiniteit over Kreta. In het binnenland nam de ontevredenheid over de slechte toestanden steeds toe en werd de revolutie meer en meer voorbereid.Herhaaldelijk hadden eropstanden plaats van de Jong-Turken (zie aldaar), een partij waarvan

Sluiten