Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen naar Kleef en aan de stoomtramlijn van Nijmegen naar Beek. De plaats bezit een Hervormde kerk en een aantal buitengoederen en villa's. Vroeger was er een oud kasteel. Men heeft er een aantal Romeinsche oudheden gevonden. In het laatst van de 13de eeuw was Ubbergen nog een zelfstandige heerlijkheid, in 1403 werd Arnoud van Uibergen door Reinoud van Gelder met Ubbergen beleend.

Ubeda, een arrondissementshoofdstad in de Spaansche provincie Jaen, gelegen tusschen den Guadalquivir en den Guadafimar op de hoogvlakte Loma de Ubeda (600 m. boven den zeespiegel), bezit een groot kasteel, enkele Gotische kerken en kloosters en telt (1900) 19 913 inwoners. Het heeft leerlooierijen, wolspinnerijen, zeep- en aardewerkfabrieken, een belangrijke paardenteelt op de vruchtbare vlakte en levendigen handel in wijn, olie, graan en vijgen.

Überbrettl, een veredeld variëteitentheater, werd naar het voorbeeld van de Fransche cabarets in 1901 opgericht door Ernst von Wolzogen te Berlijn, die door goede opvoeringen van korte tooncelstukken, van liederen, voordrachten, dansen, pantomimes enz. in bonte afwisseling, gedeeltelijk door de dichters en componisten zelf, de variëteitentheaters trachtte te verbeteren, zoodat zij werkelijk kunst onder de menschen konden brengen. Aanvankelijk had zijn streven veel succes en werd het overal in Duitschland nagevolgd. Na een kort tijdperk van bloei ontstond er echter een spoedig verval, zoowel wat het gehalte van de opvoeringen, als de belangstelling van het publiek betrof.

Ueberlingen, een plaats gelegen aan het Ueberlinger meer en aan den spoorweg Stahringen — Friedrichshafen, bezit 4 R. Katholieke kerken en een Evangelische kerk, een oud stadhuis met houtsnijwerk uit 1494, een oude stadskanselarij, een fraai product der Duitsche Renaissance (1598), den zoogenaamden burcht van den hertog der Allemannen Gunzo met het portret van dezen en het jaartal 641, oude vestingtorens en poorten, een boven de stad gelegen Johanniter — en Malteserburcht St. Johann, een haven en een minerale bron en telt (1905) 4379 inwoners. De bevolking houdt zich bezig met ijzer- en klokkengieterij, de vervaardiging van brandspuiten en brouwerijinstallaties, orgels enz; verder bezit de plaats handel in vruchten en mijnbouw. Deze stad heette in de Oudheid lburinga. In den Dertigjarigen Oorlog werd zij in 1632 door Bernhard von Weimar veroverd, in 1634 door de Zweden onder Hom tevergeefs belegerd, in 1643 door de-jWürttemburgers geplunderd, in Mei 1644 door de Beiersche troepen na een belegering van vier maanden ingenomen en in 1647 overgegeven aan de Zweden, die haar na den Vrede van Munster ontruimden. In 1803 werd zij toegewezen aan Baden.

Ueberlinger See. Zie Bodenmeer.

Uberweg', Friedrich, een Duitsch wijsgeer, geboren den 22sten Januari 1826 te Leichlingen in Rijn-Pruisen, studeerde te Göttingen en te Berlijn, werd in 1851 leeraar te Elberfeld, vervolgens privaat-docent te Bonn, in 1862 buitengewoon en in 1867 gewoon hoogleeraar te Koningsbergen. Hij overleed aldaar den 9den Juni 1871. Aanvankelijk stond hij op het standpunt van Beneke, later naderde hij tot het ideaal realisme van Schleier-

macher en Trencleleriburg. Hij schreef: „Grundrisz der Geschichte der Philosophie" (3 dln., 1863— 1866) en „System der Logik" (1857). Zijn beantwoording van de prijsvraag van de Academie van Wetenschappen te Berlijn „Über die Echtheit und Zeitfolge der Platonischen Schriften" (1861) werd bekroond. Uit zijn nalatenschap gaf Brasch „Schiller als Historiker und Philosoph" (1884) uit.

Ubiërs is de naam van een Germaansch volk, dat in den tijd van Caesar ten Z. van de Sicambren den rechter Rijnoever van de Sieg tot aan de overzijde van de Lahn bewoonde en zich zeer nauw bij de Romeinen aansloot. Door de Suëven in het O. en Z. in het nauw gebracht, werden zij door Agrippa op last van Augustus naar den linker Rijnoever verplaatst. Behalve de hoofdstad Colonia Agrippina (Keulen), bezaten zij Bonna (Bonn), Antunnacum (Andernach) en Rigomagum (Remagen). Ten laatste smolten zij samen met de Franken.

Ubiquiteit (Latijn Ubiquitas = alomtegenwoordigheid) is in de dogmatiek de naam van het leerstuk der Lutherschen van de alomtegenwoordigheid van het lichaam van Christus, waaruit Luther de werkelijke tegenwoordigheid van Christus' lichaam in de bestanddeelen van het Avondmaal trachtte te bewijzen. Naar dit leerstuk werden de Lutherschen door de Calvinisten, die het hevig bestreden, omdat zij uit de Hemelvaart afleidden, dat Christus' lichaam in den Hemel was, ubiquisten of ubiquitijnen genoemd.

U$as. Zie Ushas.

Ucayali, een van de voornaamste bronrivieren van den Amazonenstroom, ontspringt als Huilcamayo aan den Cerro Vilcanota en als Combopata aan den Cerro Raya, welke zich beide tot de Urubamba vereenigen. Deze neemt rechts de Paucartamba op en heet dan Quillabamba, welke op haar beurt de Tambo opneemt en van af dat oogenblik Ucayali genoemd wordt. Links mondt daarin de Pachitea uit, waarna de rivier bij Nauta samenvloeit met de Amazone. In het geheel 1960 km. lang, wordt zij tot Sarayacu door zeeschepen bevaren; de bovenloop is bevaarbaar tot aan de Paucartamba.

Uchard, Mario, een Fransch schrijver, geboren den 28slen December 1824 te Parijs, was gedurende langen tijd beursagent en huwde in 1853 de gevierde tooneelspeelster Madeleine Brohan. In 1857 deed hij het tooneelstuk „La Fiammina" opvoeren, waarvoor zijn ongelukkig huwelijk de stof leverde en dat weldra in alle binnen- en buitenlandsche schouwburgen werd opgevoerd. Van zijn latere stukken had geen enkel zulk een succes. Daarentegen vonden zijn romans; „Raymond" (1861), „J'avais une maraine" (1863) „La comtesse Diane" (1864), „Une dernière passion" (1867), „Mon oncle Barbassou" (1876), en „Inès Parker" (1880), „Joconde Berthier" (1886) en „Antoinette, ma cousine" (1891) tallooze lezers. Hij overleed den 31sleo Juli 1893 te Parijs.

Uchatius, Franz, vrijheer von, een Oostenrijksch artillerie-officier, geboren den 20Bten October 1811 te Theresienfeld in Neder-Oostenrijk trad in 1829 in dienst, werd in 1841 vuurwerker aan de geschutgieterij, in 1842 officier, in 1861 majoor en directeur van de geschutgieterij, in 1874 generaalmajoor en in 1879 luitenant-veldmaarschalk. Hij

Sluiten