Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleef een posthouder en te Mampawa en Tajan een Inlandsche gezaghebber. Verder werd het beginsel van onthouding van bestuursbemoeienis nog meer doorgevoerd. Landak en Sanggau werden wederom verlaten. Aan de suikerplanters werden geen voorschotten meer verstrekt.

Francis' oordeel over de Chineezen luidde gunstig, hij vond hen handelbaar en verre te verkiezen boven de roofzieke en alleen hun eigen belang dienende Maleische vorsten. Alle belemmeringen van den binnenlandschen handel, Gouvernementstollen op de Chineesche rivieren en passen, werden opgeheven (B. 18-2-1883). Hij stelde eene regeling voor, uitgaande van het beginsel van vrijhandel en van geregelde belastingen, gepaard met eene belasting op huiswaarts keerende Chineezen en eenig uitvoerrecht op goud en diamant.

Bij evengenoemd besluit werd met 1 Januari 1834 het hoofdgeld voor alle Chineezen weer ingevoerd; Sambas en Pontianak werden tot vrijhavens verklaard, de andere havens voor de algemeene vaart gesloten en oe kustvaart aan een bijzonder vergunningsrecht gebonden. De opiumpacht bleef gehandhaafd. De vrijhandel van Sambas en Pontianak werd 14-11-1834 weer beperkt inzooverre, dat van manufacturen alleen de invoer van Java werd toegelaten.

Met het licht, dat men thans van het wezen der Chineesche kongsi's heeft, is het begrijpelijk, dat vooral de Chineezen van Montrado zich niet bevredigd achtten. Het was hun te doen, om vrijhandel op hunne kusten „zonder eenige belemmering". Zij eischten daarom openstelling van alle kustplaatsen zonder eenige beperking. Als antwoord zagen zij de kust strenger dan ooit afgesloten. Ter tegemoetkoming werd echter bij B. 2-12-1835 de kusthandel opengesteld voor alle van N.-I. zeebrieven voorziene schepen. Daarop schijnen zij aan hunne verplichtingen te hebben voldaan, doch in 1841 waren er weer belangrijke achterstanden.

De ongebreidelde heffing van riviertollen door de vorsten langs den Kapoeas en het verbod van invoer van manufacturen en zout, anders dan van Java, van opium, wapenen en munitie, maakten, dat Sanggau en de Boven-Kapoeasstaten over land van uit Serawak gingen invoeren.

De ellendige verhoudingen, waarin men zich weer geplaatst zag, ook met Matan, Simpang, Soekadana en Koeboe, veroorzaakten de zending van den Commissaris-Inspecteur J. B. de Linge, (B. 25-9-1836). Hij bracht weinig beteekenends tot stand, doch zijn goede wil stond buiten geding. Ter opbeuring der nijverheid sloot hij met den pangeran Bandhara van Pontianak ddo. 6-6-1837 een overeenkomst, om op gezamenlijke rekening met het Gouvernement een suikerfabriek en rietaanplanting te beginnen. Daartoe beschikte hij over een voorschot uit 's Lands kas. Deze handeling bracht hem echter in botsing met de Regeering, die de overeenkomst weigerde te aanvaarden en hem met de kosten belastte. De fabriek ging ever in particuliere handen (Firma de Linge, Rühle & Co. nadien E. C. Meijer), doch door gebrek aan middelen staakte men de werkzaamheden in 1839; de fabriek ging in 1842 te gronde.

Sluiten