Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trado) als eene streek, waarin de orde, veiligheid en rust zeer groot waren

perjaTsLpSch 73""187^ T ^ *eraiddelde aantal ^drijven pei jaar oO op 26855 Chmeezen, dus 1 : 895, hetgeen gunstig afstak tegen-

°nd6r lnd0"Chi— - Europeanen

, Onmiddellijk na den dood van Lioe A Sin hief de Resident de kongsi als zoodanig op en nam hij, 3-10-1884, het bestuur namens het Gouvernement zelf m handen. De kongsi telde nog slechts 1249 belastbare personen. De stemming en de geest der Chineezen scheen eerst geruststellend te zijn, doch 24 October brak verzet uit. Het bleek, dat ook nu weer een ge ieim genootschap de leiding in handen had genomen. De opstand leidde zich uit naar 't Noorden en onder de Dajaks van Landak. Gevolg v.as, dat van onze zijde gewapenderwijze werd opgetrokken, en het civiel

iq o?ftUU1' W6er in één hand werd ^bracht (kolonel A. Haga

18-3-1885). 20-9-1885 kon de expeditie worden opgeheven en trad weeleen civiel Resident op (A. H. Gijsberts).

7. Het tijdperk van De rust werd daarna niet meer door de Chineezen 1881 1898. van Mandoi verstoord; allerwegen hervatten zij hunne vroegere bedrijven; de velden werden bearbeid, de verwoeste kampongs weer opgebouwd, de wegen verbeterd, en aan de bevelen van het bestuur werd naar behooren gevolg gegeven. Van af 1-1-1887 werden de Mandor Chineezen onderworpen aan dezelfde regelingen, als voor de Chineezen in het algemeen gelden (o.m. geen verplichte heerendiensten).

De Groot schrijft de woelingen in Mandor uitsluitend toe aan de dorpsgehechtheid. Het land was met goede wegen doorsneden, alle belastingen waren steeds behoorlijk opgebracht; ondanks de zekerheid van het tegen ons te moeten afleggen, omstonden onmiddellijk na de opheffing spanning en verzet, die zich op vrij hevige wijze hebben geuit. Nadien had er een groot verloop der bevolking plaats en hoewel er vele bijoorzaken waien, schrijft de Groot de hoofdreden toe aan de vernietiging van het Chineesche zelfbestuur. De neiging tot aansluiting en samenleving schiep de kongsi en bezielde haar tot het laatste oogenblik; die verzekerde elkaar steun. Toen die verzekering weg viel, nam de toevloed van nieuwelingen af; in elk geval woog die niet op tegen den stroom, die naar China terugvloeide; de bevolking verliep. Hij beschouwde het staken van den mijnarbeid niet in de eerste plaats als het gevolg van de uitputting deigoudmijnen, maar als een gevolg van de ontbinding der kongsi, daar de gioote ondernemer en geldschieter daarmede had opgehouden te bestaan. De opheffing der kongsi's deed de immigratie afnemen. In zijn tijd waren de eermaals zoo bloeiende mijndistricten reeds veranderd in arme landbouwende districten, zonder vertier, met zeer geslonken bevolking.

Sluiten