Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitoefent en evenals andere vermogensrechten door een titel worden verkregen en is voor bezit en verjaring vatbaar. — H. R. 18 April 1902, concl. conf.; W. 7756; P. v. J. 1902, 148; W. B. A. 2770; Gem. Arch. I, 259; N. R. CXC, 467; v. d. H. B. LXVIII, 189; cf. Hof 's-Hertogenbosch 21 Mei 1901; W. 7645.

Art. 557.

11. Mr. P. P. P. Kist. Beperkt gebied van art. 557. — R. en W. XLII, 22.

12. Mr. W. F. Frijlinck. De toepassing van art. 557 B. W. — W. v. N. R. 817.

13. Mr. W. F. Frijlinck. Art. 1006. § 2 in verband met art. 557 B. W. — W. v. N. R. 821.

14. Mr. P. du Rieu. Opmerkingen over de toepassing van art. 557 B. W. — W. v. N. R. 815 en 819.

15. Mr. W. F. Frijlinck. Art. 557 in verband met de artt. 974, 1006 en 1517 B. W. - W. v. N. R. 835.

16. Tot de nalatenschap eener buiten alle gemeenschap van goederen gehuwde vrouw, behooren ook de bij ontbinding van het huwelijk nog niet opeischbare vruchten harer goederen. — M. F. 4 Februari 1884, no. 42; M. F. 8 Augustus 1884, no. 76; P. W. 7035; R. W. v. N. 537.

17. De nog niet opeischbare burgerlijke vruchten van de eigen goederen van echtgenooten, die in gemeenschap van winst en verlies zijn gehuwd, behooren niet tot die gemeenschap. — M. F. 1 Mei 1885, no. 42; P. W. 7195; R. W. v. N. 563.

18. Art. 1006 al. 2 B. W. houdt geen uitzondering in op art. 557 B. \\. De

pachtsommen van gelegateerde goederen, welke eerst, na den dood van den erflater opeischbaar worden, komen geheel ten bate van den legataris, als de afgifte binnen het jaar na het overlijden van den erflater heeft plaats gehad. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 27 Juni 1884; W. 509,9; W. v. N. R. 763; R. W. v. N. 507.

19. De eigenaar van obligaties (effecten) heeft ook recht op de daarbij behoorende talons en couponbladen. — Rechtb. 's-Gravenhage 14 December 1904; W. 8238; W. v. N. R. 1841. In anderen zin Hof Amsterdam 2 Juni 1904, bevestigende Rechtb. Amsterdam 8 April 1903; W. 8068; P. v. J. 34e j. 418; W. v. N. R. 1803 en 1839.

Art. 558.

20. Al worden dividenden van aandeelen in dit artikel niet uitdrukkelijk genoemd, toch moeten zij onder het rechtsbegrip van „vruchten" worden gerangschikt. Vruchten van nijverheid in dit artikel bedoeld zijn uitsluitend die, welke door bebouwing uit den grond worden verkregen; dividenden vallen hieronder niet. Derhalve zijn dividenden burgerlijke vruchten. — Hof Amsterdam 13 Maart 1891; W. 6029; N. M. v. H. III, 196; P. v. J. 1891, 38; W. v. N. R. 1118; T. v. N. IX, 87; P. W. 8197.

Tweede Afdeeling.

Van de onderscheiding der zaken.

Art. 559.

21. Het recht op een firma is eene roerende onlichamelijke zaak, waarvan door de erfgenamen aangifte moet worden gedaan, met bepaling van de verkoopwaarde ten dage van het overlijden. — M. F. 10 Augustus 1885, no. 24; P. W. 7269; R. W. v. N. 578.

Sluiten