Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72. Dit artikel mag niet leiden tot het besluit, dat alle havens in het geheele Rijk, bijgevolg ook die, welke deel uitmaken van het grondgebied eener bepaalde gemeente, door haar voor eigen rekening zijn aangelegd en worden beheerd, aan den Staat behooren. — H. R. 29 Juni 1896; W. 6841; P. v. J. 1896, 73; W. B. A. 2471; N. R. CLXXIII, 285; v. d. H., J. en V. XII, 124.

73. De eigendom van bevaarbare en vlotbare rivieren behoort krachtens art.

577 B. W. den Staat als zoodanig, dus jure publico, niet jure privato. —H. R. 19 Maart 1877, concl. conf.; v. d. H., J. en V. VIII no. 155, 190.

74. Een bevaarbare rivier kan niet het eigendom zijn van bijzondere personen. Dit geldt evenzeer voor den bestaanden als voor den gewijzigden loop van den stroom. Bijzondere personen verliezen krachtens art. 647 hun eigendom, indien de grond, waarover het water komt te vloeien, tot dusverre aan bijzondere personen heeft toebehoord. Hierin wordt geen verandering gebracht door de omstandigheid, dat het kadastraal perceel, waarvan hier de rede is, van den Staat zelf, die het als eene in de rivier opgekomen plaat heeft verkocht, afkomstig is. — H. R. 11 Maart 1887; W. 5409; N. R. CXLV, § 42, 312; v. d. H., B. R. LIII, 135.

75. W. J. Berghuis. Welke bepalingen bestaan er omtrent de niet bevaarbare en niet vlotbare rivieren ? — T. A. R. VII, 297.

76. Ten aanzien van bevaarbare en vlotbare rivieren brengen de artt. 577,

578 en 646 B. W. mede, dat onverminderd o. a. de bepaling van art. 648 en het recht op aanspoelingen de eigendom van de rivier den eigendom van

haren ondergrond bepaalt. — H. R. 13 April 1891; W. 6025.

77. Mr. G. Tripels. Aan wien behoort de bedding der niet vlotbare noch bevaarbare rivier? — R. M. VII, 1.

78. De bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren behooren aan den Staat, onverschillig of zij door de natuur dan wel door menschenhanden zijn gevormd. — H. R. 21 November 1892, concl. contr.; W. 6276; P. v. J. 1893, 8; N. R. CLXII, 256; W. B. A. 2278; P. W. 8291; v. d. H., J. en V. XI, 166.

79. P. L. van Meeuwen. Het eigendomsrecht op niet bevaarbare noch vlotbare rivieren. — Ac. Pr. Leiden 1896.

80. De stelling, dat onder bevaarbare stroomen en rivieren niet begrepen zijn, gegraven vaarten en kanalen, ook al zijn deze bevaarbaar en vlotbaar, en als zoodanig voor het algemeen gebruik openstaande verkeerswegen te water, is in strijd met de geschiedenis en den inhoud van dit artikel, waarin als eenige voorwaarde voor de toepasselijkheid wordt gesteld, dat de stroom of rivier bevaarbaar en vlotbaar is, zoodat de vraag of de bedding door de natuur dan wel kunstmatig is gevormd, buiten de wet ligt. Evenmin doet het iets af, of zoodanige waterweg ook tot boezem van een waterschap dient. — H. R. 29 Maart 1897; W. 6949; P. v. J. 1897, 35; N. R. CLXXV, 324; v. d. H., J. en V., XII, 161; W. B. A. 2504.

81. De stranden der zee zijn het eigendom van den Staat en niet gelijk in het Romeinsch recht aan allen gemeen; al moge ook al die eigendom door den aard en de bestemming dier zaken in menig opzicht van den eigendom der bijzondere personen onderscheiden zijn,

Sluiten