Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgedragen. Zoodanige bepaling als bevattende een opdracht aan burgemeester en wethouders om te regelen datgene, waarvan art. 135 Gemw. de regeling aan den Raad zeiven opdraagt, moet als in strijd met de wet buiten toepassing worden gelaten. — H. R. 5 Maart 1883; W. 4893; W. v. N. R. 767; W. B. A. 1774; Gemst. 1654; N. R. CXXXIII, 238; v. d. H., G. Z. XXXIV, 76. Bespreking van dit arrest in Gemst. 1655.

299. De gemeente wegen ophoogende, is verplicht dit werk, zóó uit te voeren, dat daardoor geen schade aan eens anders eigendom wordt teweeggebracht. — Hof's-Hertogenbosch 11 September 1883; R. B. 1883, A. 162.

300. Bij waterschapsreglement kan worden verboden binnen zekeren afstand van een windwatermolen te bouwen. — H. R. 17 December 1883, concl. conf.; W. 4997; N. R. CXXXV, 240; v.d.H., G. Z. XXXIV, 272; W. B. A. 1821.

301. Het verbod in eene verordening om zonder vergunning van B. en W. iets te doen nlaatsen in, ot>, aan of over

.

de voor ieder toegankelijke plaatsen, onverschillig of zij al dan niet voor den publieken dienst zijn bestemd, voor zooverre zulks op de eigendommen van bijzondere personen toepasselijk is verklaard, bevat een krachtens dit artikel geoorloofde beperking van het eigendomsrecht. — H. R. 16 October 1885; W. 5219.

302. De gemeenteraad is bevoegd omtrent de openbare wegen in zijne gemeente politieverordeningen vast te stellen, onverschillig of de gronden, waarover die wegen loopen, al dan niet zijn het eigendom van bijzondere personen. Hij kan dus ook aan de eigenaren van zoodanige wegen verbieden om modder enz. op die wegen te plaatsen.

— H. R. 1 Februari 1886, concl. conf.; W. 5273; v. d. H., G. Z. XXXVI, 12; Lutt. 1886, 367.

303. De weigering van burgemeester en wethouders eener gevraagde vergunning om te bouwen, in zooverre ze niet steunt op gronden van strijd met de openbare orde, veiligheid en gezondheid is slechts te beschouwen als eene handeling van een daartoe onbevoegde macht. — H. R. 28 November 1887; W. 5512; N. R. CXLVII, § 52, 351.

304. De bepaling eener gemeenteverordening houdende, „dat niemand binnen den afstand van 10 meter van openbare wegen of voetpaden verzamelingen mag hebben of maken van mest of ander vuil" houdt eene geoorloofde eigendomsbeperking in; immers die bepaling tast den eigendom van de mestverzamelingen zelve niet aan, terwijl zij voor wat den grond betreft het eigendomsgebruik binnen zekeren afstand van den openbaren weg slechts beperkt en er dus ook geen sprake kan zijn van eene door de wet verboden onteigening.

— H. R. 19 Maart 1888, concl. conf.; v. d. H., G. Z. XXXVII, 173; N. R. CXLVIII, 289.

305. De gemeente-wetgever is niet bevoegd het verleenen eener vergunning tot het doen stellen van een gebouw afhankelijk te maken van de voorwaarde, dat de eigenaar een deel van zijn eigendom voor openbare straat zal bestemmen. — H. R. 20 Mei 1889, concl. contr.; W. 5720; P. v. J. 1889,73; W. B. A. 2094; Gemst. 1971; N. R. CLII, § 16, 105; v. d. H., G. Z XXXVIII, 121; Lutt. 1889, 46.

306. Bij een waterschapsreglement mag worden bepaald, dat de werkzaamheden aan de dijken en wateringen, waarvan het onderhoud aan het bestuur

Sluiten