Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den rechter de verplichting op om als hij het advies van deskundigen niet volgt, van zijn afwijkend oordeel te doen blijken en de gronden, waarop dat steunt, op te geven. Bij de begrooting der mindere waarde, die voor de niet onteigende goederen het noodzakelijk gevolg van de onteigening is, mag de rechter, waar de onteigening geschiedt voor een spoorweg en tot de niet onteigende goederen een molen behoort, niet letten op de mogelijkheid, dat de klandisie van den molen zal verminderen, omdat door aankomende treinen het bereiken daarvan voor menschen en voertuigen zal bemoeielijkt worden. — H. R. 31 December 1894; W. 6601; P. v. J. 1895, 17; N. R. CLXVIII, 473; v. d. H, B. R. LX, 427; Lutt. 1894, 257.

358. De Rechtbank is bevoegd om bij het vaststellen der schadevergoeding rekening te houden met het feit, dat de hoogte eener door de onteigende partij te leggen inundatiekade niet vaststaat, zoodat deze ten allen tijde door de onteigende partij kan worden verhoogd. De artt. 40 en 41 der Onteigeningswet beletten den rechter niet om met het oog op die onzekerheid eene hooge schade toe te kennen. — H. R. 1 April 1895; W. 6645; P. v. J. 1895, 45; N. R. CLXIX, 292.

359. Door de aanwijzing van het te onteigenen onroerend goed bij Kon. Besluit wordt voor de onteigende partij geene verplichting in het leven geroepen om al dat goed of zelfs een deel daarvan inderdaad te onteigenen. Zoodanig Kon. Besluit verleent aan de partij slechts de bevoegdheid om de onteigening bij den rechter te vragen van datgene, wat ter onteigening noodig is en van niets meer. — Rechtb. Rotterdam 11 October 1895 W. 6744,

360. Na het onderzoek der deskundigen kan de onteigenende partij, zonder toestemming der onteigende partij geene wijziging brengen in haar bij dagvaarding gedaan aanbod. — Rechtb. Rotterdam 17 Januari 1896; W. 6789.

361. Bij het bepalen der schadeloosstelling in zake onteigening kan geen acht geslagen worden op de mogelijkheid, dat de perceelen wellicht later bouwterrein kunnen worden. — Rechtb. 's-Gravenhage 13 October 1896; W. 6914.

362. Eerst als vaststaat, dat de kosten van wederbelegging in land van de door de onteigening losgekomen geldswaarde is een rechtstreeksch en noodzakelijk gevolg der onteigening, kan het naar gelang der omstandigheden de vraag zijn of voor dat gevolg der onteigening schadeloosstelling moet worden toegekend. Volgens art. 27 der Onteigeningswet wordt bij het eindvonnis in een onteigeningsprocedure alleen uitspraak gedaan over de onteigening en over de schadeloosstelling aan de eigenaars en derde belanghebbenden uit te keeren, maar de rechter heeft zich niet uit te laten over de vordering der schadeloosstelling tusschen de mede-eigenaren van in onverdeeld eigendom bezeten perceelen. — H. R. 21 December 1896; W. 6906; P. v. J. 1897, 8; N. R. CLXXIV, 339; v. d. H., B. R. LXII, 378.

363. Een van een toekomstige en onzekere gebeurtenis afhankelijke verandering van bestemming van het te onteigenen perceel valt niet in het begrip van „werkelijke waarde" in den zin der wet op de onteigening ten algemeenen nutte. Indien de deskundigen de onteigenen perceelen op drie wijzen hebben geschat en elk van die schattingen met redenen hebben omkleed, blijft het aan den rechter overgelaten

Sluiten