Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat en gelegen is in een afgesloten tuin, moet als eigendom van den eigenaar van den vijver en den tuin worden beschouwd. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 30 September 1902; P. v. -J. 1902, 195.

487. Dit artikel sprekende van rechten door derden verkregen, waarvan zij het tegenwoordige — d. i. in 1838 — genot hebben, is zoo op te vatten, dat die derden hun vroeger verkregen recht destijds werkelijk moesten genieten. — Hof 's-Gravenhage 14 December 1903; W. 8039; P. v. J. 1904, 391.

488. Acquisitieve verjaring van vischrecht is door art. 641 B. W. uitgesloten. — Rechtb. Dordrecht 30 November 1904; W. 8180.

Art. 643.

489. Natrekking is eene wijze van eigendomsverkrijging en wel eene wijze, waarop men, omdat en doordat men eigenaar is van eene zaak, eigenaar wordt eener daarmede samenhangende zaak, zoodat het eigendomsrecht op de zaak, door welker eigendom men eene andere zaak verkrijgt, aan het bestaan dier zaak moet voorafgaan, althans aan de nauwere vereeniging dier beide zaken waardoor de eene zaak de andere tot zich trekt. — Rechtb. Almelo 18 April 1906 ; W. 8405; W. v. N. R. 1922; Gemst. 2871.

Art. 644.

490. Waar een stuk grond blijkt opgekomen te zijn in het water op eenigen afstand van den vasten wal en bij zijn ontstaan te hebben kunnen worden omgevaren, moet die grond als plaat, niet als aanwas beschouwd worden. — H. R. 27 Juni 1879; W. 4390.

491. Dit artikel kan niet bij analogie worden uitgebreid, waar sprake is van

een door menschenarbeid drooggelegd stuk grond. — H. R. 8 Februari 1901, concl. conf.; W. 7567; P. v.J. 1901,26; Not. W. 81; P. W. 9304; N. R. CLXXXVII, 241; v. d. H., B. R. LXVII, 80.

Art. 646.

492. Krachtens analogische toepassing van dit artikel brengt de eigendom eener watering het eigendom mede van den grond, waarover het water loopt, doch niet van de gronden bezijden het water of van de wallen. — Rechtb. Groningen 4 April 1879; W. 4415; R. B. 1879,53.

493. Het water, dat deel uitmaakt van den stroom eener bevaarbare en vlotbare rivier binnen de bedijking van deze, is naar Nederlandsch recht niet het eigendom van den eigenaar van den grond, waarover het water stroomt. — H. R. 31 Maart 1891; W. 6025; P.v. J. 1891, 71.

494. Krachtens het algemeen voorschrift omtrent natrekking neergelegd in art. 643 B. W. komt de bedding eener niet bevaarbare en niet vlotbare rivier aan de oevereigenaren toe. — Hof 's-Hertogenbosch 27 December 1892; W. 6293; R. W. v. N. 761.

495. De eigendom van een langs een kanaal gelegen dijk met het maaiveld, waarop die dijk was gelegd, kan wel medebrengen eigendom van hetgeen zich als ondergrond loodrecht daar beneden bevindt maar brengt niet mede, dat de glooiing tot aan den kanaalbodem aan den eigenaar van den dijk en niet aan dien van het kanaal toekomt. — H. R. 12 Januari 1893; W. 6332; P. v. J. 1893, 31; N. R. CLXIII, 18; v. d. H., B. R. LIX, 6.

Sluiten