Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de uitsluitende beschikking over die goot. — H. R. 4 December 1896, concl. conf.; W. 6895; P. v. J. 1896, 102; v. d. H , B. R. LXII, 325; N. R. CLXXIV, 224; T. v. N. 113. Hof Leeuwarden 29 Januari 1896; W. 6793; W. v. N. R. 1384.

Art. 733.

869. Het recht van onbelemmerd gebruik van weg is ondeelbaar en komt aan ieder der gerechtigden in zijn geheel toe. — Hof Amsterdam 10 Juni 1881; W. 4667; N. R. B. 1883, A. 149.

870. Bij het onbetwist bestaan der erfdienstbaarheid van „vrij overpad zoodanig als dit van ouds is gebruikt" wordt volgens het oud Hollandsch recht verstaan niet alleen om te voet over eens anders grond te gaan, maar ook om daarover met paard en wagen te rijden, en daarover vee te drijven. — Rechtb. 's-Gravenhage 13 Juni 1890; W. 5900; R. W. v. N. 687; T. v. N. VIII, 211.

871. Het al of niet bestaan van eene erfdienstbaarheid van openbaren weg staat ter beslissing van den rechter en niet van het administratief gezag. — Hof Amsterdam 24 November 1893; W. 6425; P. v. J. 1894, 75; W. B. A. 2335.

872. De slotbepaling van dit artikel verklarende, dat onder de erfdienstbaarheid van weg, die van voetpad stilzwijgend begrepen is, verbindt aan deze erfdienstbaarheid de bevoegdheid om ook te voet over het land te gaan slechts als een wettelijk vermoeden, ingevolge art. 1958 B. W., tot op bewijs van het tegendeel. — H. R. 28 April 1898, concl. conf.; W. 7123; P. v. J. 1898, 47; v.d. H, B. R. LXIY, 213; N. R. CLXXVIII, 542.

Art. 735.

873. Het aan den eigenaar van voorliggende gronden gegeven recht om een aansluitingsdijk te maken op de aan anderen toebehoorende achterliggende gronden doet wel eene erfdienstbaarheid ontstaan, maar heeft niet ten gevolge, dat de aansluitingsdijk het eigendom zou zijn van den maker, indien dit althans niet ondubbelzinnig is gestipuleerd. — H. R. 7 Januari 1887, concl. conf.; W. 5403; v. d. H., B. R. LIII, 1; N. R. CXLV, 22. Hof 's-Hertogenbosch 20 April 1886; W. 5385. Rechtb. Breda 26 Mei 1885; W. 5252.

874. Mr. A. P. Th. Eyssell Servituutswerken artt. 626, 656, 735 en 736 B. W. (S. bestrijdt het arr. Hof 's-Hertogenbosch en beweert dat de door den eigenaar van het heerschende erf op het dienstbaar erf gemaakte werken zijn eigendom blijven.) — Them. 1887, 235.

Yg. W. 5399. (Bestrijding van mr. E 's meening en diens antwoord in W. 5403.)

Mr. P. L. Moens. Eigendom van Servituutswerken. (Bestrijding van mr. E.'s artikel). — R. M. VII, 171.

Art. 736.

87". A. L. van Driel Krol. Aanteekeningen op art. 736 B. W. — Ac. Pr. Leiden 1887.

Art. 738.

876. B. Iets over de feitelijke verzwaring eener erfdienstbaarheid. — W. v. N. R. 1236 en 1237.

877. Indien het heerschend erf is belast met een recht van erfdienstbaarheid om met paarden en wagen van en naar den openbaren weg te rijden, mag de eigenaar van dat recht van erfdienstbaarheid den toestand van het lijdend erf niet verzwaren door de bleekèrij, ten

Sluiten