Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oplossing vinden in de wijze, waarop het recht is uitgeoefend en in de aan dat recht in den loop der tijden gegeven benaming en omschrijving. — Rechtb. Dordrecht 28 November 1906: W. 8496.

Art. 768.

982. Heeft de eigenaar van een door

hem in erfpacht uitgegeven stuk gronds gedurende den tijd, dat de erfpacht duurt, het recht over de grondspeciën te beschikken? Neen. — W. 4449.

933. Noch uit dit artikel, noch uit eenige andere wetsbepaling kan worden afgeleid, dat de erfpachter eene vordering ex art. 629 of 658 B. W. mag instellen. Deze komen alleen den eigenaar van den grond toe. — Rechtb. Haarlem sine die, P. v. J. 1880, 27. In tegenovergeste] den zin Rechtb. Amsterdam 7 Mei 1896; W. 6826; P. v. J. 1896, 74.

934. Zoowel naar het hedendaagsch als naar het Romeinsch en oud-Hollandsch recht heeft de erfpachter alleen eene zakelijke actie tegen den eigenaar. De erfpachter, die van den eigenaar wegruiming vordert van het door dezen, na de uitgifte in erfpacht, op den in erfpacht gegeven grond gebouwde of geplante vervolgt zijn zakelijk recht van genot. — H. R. 23 Juni 1882, concl. conf.; W. 4794; W. v. N. R. 677; v. d. H., B. R. XLVII, 455; R. B. 1883, A. 152. In denzelfden zin Hof Amsterdam 10 Juni 1881; W. 4667; R. W. v. N. 424; N. R. B. 1883, A. 149.

Art. 771.

935. Bij het te niet gaan van het erfpachtsrecht tengevolge van naasting door den eigenaar, vervalt ook eene door den erfpachter gedane verhuring van den in erfpacht bezeten grond. — Rechtb Utrecht 2 April 1902; W. 7757.

Art. 772.

936. De erfpachter wordt geen eigenaar van de door hem gestichte gebouwen, doch is bevoegd om bij het eindigen van zijn recht de door hem gestichte gebouwen en beplantingen weg te nemen, waartoe hij uit kracht der overeenkomst niet gehouden was, doch daarin kan slechts gezien worden een maatregel van billijkheid tegenover den erfpachter, ten einde te voorkomen, dat de eigenaar zich onrechtmatig ten koste van den erfpachter zoude verrijken; er vloeit daaruit niet voort een aan den erfpachter toekomend recht van eigendom der gebouwen en beplantingen. — H. R. 22 April 1901, concl. conf.; W. 7600; P. v. J. 1901,43; Not. W. 92; N. R. CLXXXVII, 704; v. d. H., G. Z. XLVI, 146.

Art. 773.

937. Duplex. Is de erfpachter bij het eindigen van zijn recht eigenaar van hetgeen hij op den grond heeft aangebracht?

Datgene wat de erfpachter bij het eindigen van zijn recht niet wegneemt, wat dus op den grond blijft, behoort aan den eigenaar van den grond krachtens art 626 § 1. — W. v. N. R. 1427. Anders mr. M. L. van Goudoever in W. v. N. R. 1425.

Art. 779.

938. Indien de erfpacht na verloop van den bij contract daarvoor bepaalden tijd mutuo consensu doorloopt, ontstaat daardoor niet een nieuw contract van erfpacht voor onbepaalden tijd, waarop art. 766 toepasselijk zoude zijn. De eigenaar van den grond is integendeel bevoegd de erfpacht ten allen tijde en zonder inachtneming van termijnen op te zeggen. — Rechtb. Middelburg 11 October 1882; W. 4833; N. R. B. 1883, A. 155.

Sluiten