Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 780.

939. Al. 2 van dit art. waakt er tegen dat de erfpachter niet ter zake van wanbetaling ten gevolge van onbekendheid met den rechthebbende van zijn recht kan worden vervallen verklaard. — Rechtb. Haarlem 19 November 1878; P. v. J. 1879, 7; N. R. B. 1879, A 124.

940. Het niet gebruiken der in erfpacht gegeven perceelen voor de bestemming, waarvoor zij in erfpacht zijn uitgegeven, kan niet onder dit artikel worden gebracht. — Rechtb. Amsterdam 20 Mei 1879: P. v. J. 1879, 43; R. B. 1879, A. 258.

941. Uit het woord „kan" voorkomende in de 2e alinea van dit artikel volgt niet, dat de wetgever aan het beleid van den rechter heeft overgelaten om de uit overeenkomst voortspruitende, op pachtbreuk gevestigde vordering van verval, naar goedvinden aan te nemen of af te wijzen. De bepaling van art. 780 al. 2 is imperatief. — Hof Amsterdam 12 November 1880; W. 4621; P. v.J. 1881, 9; R. B. 1883, A. 158.

Art. 782.

942. Ten aanzien van erfpachtsrecht mogen partijen afwijken van de bij de wet gestelde regelen, zij mogen dus ook bepalen, dat de ontbinding van de overeenkomst, krachtens welke het recht gevestigd werd, kan worden gevorderd, wanneer de erfpachter de hem bij de overeenkomst opgelegde verplichtingen niet nakomt. — Rechtb. Heerenveen 27 Januari 1905; W. v. N. R. 1837.

Art. 783.

943. Indien een erfpachtsrecht ge- | vestigd is onder vigueur der wet van 10 Januari 1824 (St. no. 14) zonder bepaling van den duur daarvan, dan moet uit art. 2 dier wet worden afgeleid, dat

deze duur wel beperkt is, maar tóch tot den langsten bij dit artikel veroorloofden termijn van 99 jaren. — Hof Arnhem 9 Januari 1881; W. 4792; R. B. 1882, A. 121. Cassatie verworpen bij het volgende arrest.

944. Het geheele karakter van het erfpachtsrecht brengt mede, dat het voor zeer langen tijd wordt gegeven. In geval van twijfel moet een overeenkomst van erfpacht in het voordeel van den erfpachter worden uitgelegd. — H. R. 13 Januari 1882, concl. conf.; W. 4729 ; W. v. N. R. 692; v. d. H„ B. R. XLVII, 140; N. R. B. CXXX, 34.

945. Dit artikel geldt niet voor erfpachtsrecht, kort vóór de inwerkingtreding van het Wetboek Napoleon voor het Koninkrijk Holland verleend: zoodanig recht is eeuwigdurend. — R. A. X 58.

946. Het erfpachtsrecht gaat niet te niet en de erfpachter wordt geen eigenaar van den in erfpacht uitgegeven grond door afkoop van de jaarlijksche pacht — H. R. 23 Juni 1882, concl. conf.; W. 4794; W. v. N. R. 677; v. d. H., B. R. XLVII, 455; R. B. 1883, A 152; R. W. v. N. 450. In denzelfden zin Rechtb. Haarlem 15 Juni 1880; bevestigd door Hof Amsterdam 10 Juni 1881; W. 4667; R. W. v. N. 424; N. R. B. 1883, A 149.

947. Het erfpachtsrecht gaat alleen dan door vermenging tengevolge van het verkrijgen van het eigendomsrecht op den grond te niet, wanneer beide rechten onvoorwaardelijk in dezelfde hand zijn gekomen, niet wanneer het erfpachtsrecht slechts verkregen is onder eene ontbindende voorwaarde en deze vervuld wordt. — Hof 's-Gravenhage 5 Maart 1907; W. 8540; P. v. J. 1907, 686; W. v. N. R. 1963; W. v. Not. 102.

Sluiten