Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne verschijning voor den notaris voor de boedel werkzaamheden, tot het aanvoeren van zwarigheden en het inroepen van rechterlijke beslissing zou aanleiding geven. — Rechtb. Groningen 10 October 1884; W. 5163.

1676. De vordering tot betaling van den koopprijs van goederen behoorende tot een nalatenschap, ingesteld dooreen deelgenoot tegen een mede-deelgenoot vóór de vereffening van de nalatenschap, is niet ontvankelijk. — Rechtb. Maastricht 12 December 1889; W. 58-56.

1677. Het is niet verboden om bij de verdeeling eener gemeenschap alle goederen en lasten aan één persoon toe te scheiden, indien slechts niet de rechten van derde schuldeischers bedriegelijk worden verkort. — Hof Amsterdam 10 Januari 1890; W. v. N. R. 1055.

1678. Mede-erfgenamen kunnen niet rauwelijks en zonder voorafgaande boedelscheiding van hun mede-erfgenaam vorderen het aandeel, hun toekomende in een schuld, door den mede-erfgenaam tegenover den erflater aangegaan. — Rechtb. Rotterdam 2 Mei 1892; P. v. J. 1892, 76; R. W. v. N. 750.

1679. Eene vordering tot scheiding van een gemeenschappelijken boedel kan niet meer worden ingesteld, indien door de vrouw tengevolge van een overeenkomst van dading in een schriftelijk door haar onderteekend stuk, is verklaard, dat zij van haren gewezen echtgenoot nog een zeker bedrag in geld ontvangen hebbende, uitdrukkelijk afstand doet van het recht tot scheiding der bestaan hebbende gemeenschap van goederen en alle hare aanspraken en rechten op die gemeenschap ten volle en zonder eenig voorbehoud zijn gekweten, als zijnde de bedoelde scheiding op deze wijze

reeds tot stand gekomen. — Rechtb. Rotterdam 1 Mei 1893; W. (535.0; P. v. J. 1893, 71; R. W. v. N. 773; T. v. N. XI, 96.

1680. Goederen, deel uitmakende van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap, en niet met andere goederen vermengd, zijn voor geen afzonderlijke scheiding vatbaar. — Rechtb. Assen 19 Juni 1882; W. 4958.

1681. Een deelgenoot in eene nalatenschap, die nog vermengd is met en deel uitmaakt van een ontbonden, maar nog niet gescheiden huwelijksgemeenschap, is niet bevoegd, scheiding en deeling dier nalatenschap te vorderen, tenzij hij vooraf of gelijktijdig ook scheiding en deeling der gemeenschap vordert. Het is onjuist, dat een vonnis bevelende scheiding en deeling der nalatenschap van zelve de voorafgaande scheiding der gemeenschap zou medebrengen. — Rechtb. Heerenveen 12 Januari 1894; W. 6471; W. v. N. R, 1258 en 1268; T. v. N. XII, 22.

1682. Waar eisclier en gedaagde gerechtigd zijn tot meerdere, nog onverdeelde gemeenschappen, die ééne massa vormen, moet de eisclier in zijn eisch tot scheiding en deeling niet ontvankelijk worden verklaard, indien deze niet alle gemeenschappen omvat en niet vaststaat welk goed tot de niet in den eisch begrepen gemeenschap behoort. — Rechtb. Heerenveen 29 November 1895; P. v. J. 1896, 10.

1683. Waar in gemeenschap worden bezeten eenige roerende en onroerende goederen, kan niet worden gevorderd scheiding en deeling der onroerende goederen alleen. — Rechtb. Roermond 21 April 1898; W. 7182; W. v. N. R. 1506.

Sluiten