Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1684. Mr. V. Wanneer eene rechtsvordering tot boedelscheiding is ingesteld tegen een erfgenaam, die een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, kan alsdan door dezen terecht worden gevorderd, dat de actie zal worden gestateerd totdat de termijn, bij de wet verleend om de nalatenschap tot effenheid te brengen, zal zijn verstreken? — W. v. N. R. 1375.

1685. De actie tot scheiding eener beneficiair aanvaarde nalatenschap is ontvankelijk, ook vóór dat de liquidatie dier nalatenschap en de rekening en verantwoording aan schuldeischers en legatarissen op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft plaats gehad. — H. R. 23 October 1896, (concl. contr. in W. v. N. R. 1403 en P. v. .J. 1896, 90); W. 6875; W. v. N. R. 1402; P. v. J. 1896, 90; met vernietiging Hof Arnhem 25 Maart 1896; W. 6786; W. v. N. R. 1372; P. v. J. 1896, 30; T. v. N. XIV, 132 en met bevestiging Rechtb. Arnhem 12 Juli 1895; W. 6686; W. v. N. R. 1337.

1686. Mr. E. van Lier. Zijn erfgenamen, die onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard hebben, gerechtigd tot boedelbescheiding? — W. v. N. R. 1516 en 1517. (S. bestrijdt het arrest H. R. 23 October 1896, o. a. op grond, dat de nalatenschap door de beneficiaire aanvaarding als één geheel wordt afgescheiden van het eigen vermogen der erfgenamen en dat die afscheiding, die dient om de aansprakelijkheid van het vermogen van den overleden schuldenaar in zijn geheel te bewaren, door de scheiding zou worden verijdeld.)

1687. Wijl het instellen der vordering tot scheiding en deeling is het gebruik maken van een wettelijke bevoegdheid, behooren, als de gedaagde de vordering

Cbemebs, Aant. B. W.

niet bestrijdt, de kosten door den boedel te worden gedragen, daar de vordering beschouwd moet worden als eene wettige inleiding tot de door partijen beoogde boedelscheiding. — Rechtb. Alkmaar 27 October 1898; W. v. N. R. 1538.

1688. Tusschen den legataris van het vruchtgebruik van een gedeelte eener nalatenschap en de erfgenamen bestaat onverdeeldheid, die door scheiding wordt opgelost. — H. R. 4 Maart 1881; W. 4622; W. v. N. R. 593; N. R. B. 1881, 120; R. W. v. N. 412; P. W. 6733; met vernietiging Hof's-Hertogenbosch 5 April 1880; W. 4525; R. W. v. N. 391 en met bevestiging Rechtb. Maastricht 23 Mei 1879; W. 4525; R. W. v. N. 390.

1689. In de vordering tot afgifte van het legaat ligt niet vanzelf opgesloten de actie tot scheiding en deeling der gemeenschap, waartoe de goederen, die het legaat uitmaken, in onverdeeldheid behooren. De legataris heeft dus niet alleen krachtens zijn jus in re het recht om te vorderen de afgifte van het legaat, maar ook het recht om scheiding en deeling te vorderen, ten einde afscheiding te verkrijgen van het gelegateerde goed. — Hof 's-Hertogenbosch 19 November 1907; W. 8700; W. v N. R. 2028; W. v. Not. 149; (met vernietiging Rechtb. aldaar 10 Mei 1907; W. 8654; W. v. Not. 135).

1690. Voor de vordering tot scheiding en deeling van een onroerend goed is het niet voldoende, dat men wegens dat goed rechten tegen iemand kan doen gelden, doch moet vast staan, dat men daarop rechten heeft als mede-eigenaar. Mitsdien wordt zoodanige vordering niet gerechtvaardigd door eene schriftelijke verklaring van hem, tegen wien zij wordt ingesteld, houdende dat het onroerend goed, waarvan scheiding en deeling wordt gevorderd, en waarvan hij eigenaar is

25

Sluiten