Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn van den te scheiden boedel en deze alsnog vast te stellen, ook indien te voren een boedelbeschrijving is opgemaakt. — Hof Arnhem 8 Januari 1896; W. 6774.

Art. 1120.

1731. Mr. A. H. Kleffens. Wanneer vangen bij de door den rechter bevolen boedelscheiding de werkzaamheden van den Kantonrechter aan ? — W. v. N. R 745.

1782. De goedkeuring der boedelscheiding door den Kantonrechter wordt niet vereischt ingeval alle direct belanghebbenden meerderjarig en tegenwoordig zijn en geen hunner weigert tot de scheiding mede te werken, al zijn ook de over de hand tot een gedeelte der nalatenschap geroepenen nog minderjarig. — T. v. N. IV, 216.

1733. v. M. Is de verplichte tegenwoordigheid van den Kantonrechter bij de boedelscheiding niet meer dan een formaliteit? (S. antwoordt bevestigend, waarom z. i. art. 10 A. B. op de verplichte tegenwoordigheid des Kantonrechters niet mag worden toegepast.) — W. v. N. R. 1253.

1734. De goedkeuring van boedelscheidingen door den rechter is geheel afhankelijk van zijne overtuiging omtrent het belang der minderjarigen; de juistheid daarvan is wel onderworpen aan de beoordeeling der Rechtbank, maar de wet stelt daaromtrent geen regelen; zij kan alzoo door in cassatie te gaan, niet worden beoordeeld. De goedkeuring van den Kantonrechter omvat niet enkel het aan elk der deelgenooten toegekende bedrag, maar tevens den aard der toebedeelde waarden. — H. R. 24 Juli 1882; N. R. CXXXI, 244; T. v. N. III, 79.

1735. De Kantonrechter moet bij de beoordeeling der aan zijne overwegingen onderworpen boedelscheiding uitsluitend zorgen voor de handhaving van de belangen der minderjarigen, hij behoort niet te onderzoeken of bij de scheiding de beginselen en voorschriften der wet zijn nagekomen. — Rechtb. Groningen 27 October 1885; W. 5308; W. v. N. R. 880; R. W. v. N. 528.

1736. De Kantonrechter is niet bevoegd de goedkeuring van een boedelscheiding afhankelijk te stellen van de voorwaarde, dat daarin worde opgenomen eene herinnering aan de voogden der minderjarige deelgenooten aan de op hen rustende verplichting om de aan de minderjarigen toebedeelde gelden op geene andere wijze te beleggen dan op die bij art. 449, alin. 2 B. W. voorgeschreven. — Rechtb. Groningen 5 October 1894; W. v. N. R. 1299; R v. J. 1894, 87.

1737. De goedkeuring van den Kantonrechter bij dit artikel voorgeschreven, kan alleen worden geweigerd als de belangen der minderjarigen door de scheiding zelve worden benadeeld en niet om redenen, aan de scheiding geheel vreemd. Rechtb. Breda 22 October 1894; W. 6607; W. v. N. R. 1304.

1738. De Kantonrechter mag op grond van verondersteld gemis aan de noodige kennis en wetenschap bij de deskundigen, die het vast goed hebben getaxeerd, zijne goedkeuring aan eene scheiding niet onthouden, nu er geen reden bestaat om aan te nemen, dat de taxatie onjuist en in het nadeel der minderjarigen is geweest. — Rechtb. Winschoten 9 April 1898; P. v. J. 1898, 63.

1739. Aan eene ontworpen boedelscheiding moet de goedkeuring worden onthouden, waarbij aan de daarbij be-

Sluiten