Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot openbaren verkoop van onroerende goederen. — W. v. N. R. 1227.

1755. J. H. W. de B. Art. 1129 B. W. j" art. 1122 B. W. — W. v. N. R. 1288.

X. Idem. — W. v. N. R. 1292.

1756. C. Boedelscheiding. Verband tusschen art. 1122 B. W. en 697 R.v. — Not. W. 2.

Mr. P. Rink. Idem. — Not. W. 3.

W. A. C. Idem. — Not. W. 4.

1757. Mr. J. P. A. N. Caroli: Lanx Satura III. De bevoegdheid der Rechtbank om, bij inwilliging van een ex art. 1122 B. W. ingediend verzoek, een notaris te benoemen. — W. 7368; Not. W. 14.

1758. De bevoegdheid, bij dit artikel aan de Rechtbank gegeven tot het bevelen van den verkoop van de onroerende goederen des boedels, is bij de wet van 18 April 1874 (St. no. 68) niet aan den Kantonrechter opgedragen. De gezamenlijke erfgenamen zijn gerechtigd het bij dit artikel bedoeld bevel te vragen. — H. R. 6 November 1874; W. 3785; W. v. N. R. 264; R. W. v. N. 223.

1759. De Rechtbank is bevoegd machtiging te verleenen tot den verkoop onder de hand bij minnelijke overeenkomst van een te onteigenen onroerend goed. — Rechtb. Almelo 3 Maart 1886; W. 5350; R. W. v. N. 575.

1760. Tot het besteden van een gedeelte der koopsom van met rechterlijke machtiging verkocht onroerend goed tot herstelling en verbouwing van andere onroerende goederen, tot den onverdeelden boedel behoorende, is geene rechterlijke machtiging noodig. — H. R. 14 November 1884, concl. conf.; W. v. N. R. 832.

1761. Waar van in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenooten de een vermoedelijk overleden is verklaard en de ander overleden is, zijn de erfgenamen, die wenschen over te gaan tot de scheiding en deeling der gemeenschap en tot de vereffening van beider nalatenschappen, waartoe een onroerend goed behoort, bevoegd om, indien zij niet tot de scheiding en deeling der gemeenschap kunnen geraken, aan den rechter te verzoeken, dat de openbare verkoop van dat onroerend goed bevolen worde. — Hof 's-Gravenhage 25 Mei 1891; (met vernietiging Rechtb. aldaar 10 April 1891); W. 6051|; W. v. N. R. 1142; P. v. J. 1891, 64; R. W. v. N. 719; T. v. N. IX, 189.

1762. Bij een verzoek om bevel tot verkoop van onroerend goed, toebehoorende aan meerderjarigen en minderjarigen, is overlegging van een inventaris en van het bewijs, dat de nalatenschap beneficiair aanvaard is, onnodig. — Hof 's-Gravenhage 23 Juli 1880. Rechtb. Dordrecht 16 Juni 1880; W. 4541.

(Vg. aant. nrs. 1406—1416, deel I.)

1763. Het onveranderd gebleven art. 691 Rv. staat in verband met en heeft betrekking tot art. 1122 B. W., zoodat in de gevallen van dit artikel de Rechtbank bevel geeft tot den openbaren of kan toelaten den onderhandschen verkoop van onroerende goederen, toebehoorende aan minderjarigen alleen of aan hen met meerderjarigen; terwijl in alle andere gevallen de Kantonrechter machtiging verleent op het verzoek tot verkoop in het belang der minderjarigen, hetzij in het openbaar, hetzij onder de hand, van onroerende goederen, voorzooveel betreft het aandeel dat daarin aan de minderjarigen toekomt. — H. R. 7 October 1887, concl. conf.; W. 5485; W. v. N. R. 933; R. W. v. N. 605; T. v. N. V, 187.

Sluiten