Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bank te verzoeken den verkoop te bevelen ook van het onroerend goed, dat door den erflater in onverdeelden eigendom bezeten werd. — Hof Amsterdam 21 October 1892; W. 6267; W. v. N. R. 1205; R. W. v. N. 756; T. v. N X,342.

1794. Een verzoek tot het verleenen van een bevel tot verkoop van onroerend goed kan ook dan door sommige medeeigenaren worden gedaan, indien niet alle overige mede-eigenaren bekend zijn. — Hof Leeuwarden 23 Juli 1896, (met vernietiging Rechtb. aldaar 22 Mei 1896); P. v. J. 1896, 68.

1795. Zoolang eene nalatenschap ongescheiden is en art. 1129 B. W. nog geen invloed op eenig bestanddeel daarvan heeft, brengt de hoedanigheid van mede-erfgenamen mede, medegerechtigdheid tot elk afzonderlijk goed door den erflater nagelaten, en dus ook tot het onverdeeld aandeel in eenig onroerend goed, waartoe de erflater gerechtigd was. Krachtens dit artikel kunnen dus de erfgenamen als mede-eigenaren van dat door den erflater in onverdeeldheid bezeten onroerend goed, den verkoop van dat onroerend goed vorderen, ook tegenover hunne mede-eigenaren, niet erfgenamen. — H. R. 31 Januari 1907, concl. conf.; W. 8497; W. v. N. R. 1940; W. v. Not. 77; P. v. J. 1907, 630; N. R. CCV, 142; met vernietiging Hof Arnhem 17 October 1906; W. v. N. R. 1928.

Art. 1123.

1796. W. Jans. Renteberekening en waardeering van effecten en vorderingen bij de boedelscheiding. — W. v. N. R. 850.

Art. 1124,

1797. J. L. Limpers. Eenige opmerkingen over den schattingseed. — Ac. Pr. Leiden 1879.

1798. Nergens is voorgeschreven, op welke wijze blijken moet van het bestaan van verschil tusschen de belanghebbenden over de benoeming van deskundigen en evenmin, dat van zoodanig verschil op formeele wijze moet blijken, alvorens de Kantonrechter tot het doen van eene benoeming zou kunnen overgaan. — Rechtb. Gorinchem 30 Juni 1874; R. W. v. N. 214.

1799. Mr. H. Binnerts. Moeten bij boedelscheiding, ingeval de te waardeeren onroerende goederen in verschillende kantons zijn gelegen, dezelfde deskundigen in ieder dier kantons worden beëedigd? Neen. — R. en W. XXI, 171.

1800. v. d. Moer. Onwettige benoeming van schatters door den Kantonrechter. (Over de vraag, welke de gevolgen zijn, indien bij boedelscheiding de schatting der deskundigen niet op wettelijke wijze heeft plaats gehad. S. meent dat de scheiding relatief nietig is. De redactie van W. v. N. R. is van oordeel dat alleen c. q. op grond van benadeeling volgens art. 1158 B. W. de vernietiging der scheiding kan worden gevraagd, daar volgens art. 1117 lid 2 slechts in twee gevallen de niet-naleving der formaliteiten nietigheid tengevolge heeft.) — W. v. N. R. 994, 997, 999 en 1001.

Art. 1125.

1801. Vermits bij de boedelscheiding alle erfgenamen, tot vorming der massa, verplicht zijn tot voldoening of verrekening met hunne mede-erfgenamen van alles, wat zij aan de nalatenschap schuldig zijn, zoo kan een der erfgenamen het hem toekomend deel vragen van het door een of meer zijner mede-erfgenamen aan de nalatenschap verschuldigde. — Rechtb. Assen 30 Maart 1883; W.4733.

Sluiten