Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezegd worden mede-eigenaar te zijn geworden van de nog onverdeelde onroerende goederen en is dus niet bevoegd om een rechtsvordering in te stellen tot scheiding en verdeeling dier goederen. — Rechtb. Assen 19 Juni 1882; W. 4958; R. W. v. N. 483.

1818. De kooper, die van één van meerdere erfgenamen diens onverdeeld aandeel in de onroerende goederen der nalatenschap koopt, is niet gerechtigd om van de overige erfgenamen te vorderen, dat zij met hem zullen overgaan tot scheiding en verdeeling der onroerende goederen, dus van een deel der nalatenschap. — Hof 's-Hertogenbosch 20 Januari 1905; W.8196 ; Not. W. 289; P. W. 9766; W. v. Not. 12. Bevestigd door H. R. 23 Juni 1905, concl. conf.; W. 8249; W. v. N. R. 1869; Not. W. 311; P. v. J. 1905, 472; P. W. 9816; N. R. CC, 334.

1819. Boedelscheiding, waarbij aan ieder der deelgenooten het deel, dat hem werkelijk in het gemeene goed toekomt, bij toescheiding wordt aangewezen, strekt tot het doen ophouden van de gemeenschap, niet in het vervolg, maar op het oogenblik, waarop zij plaats heeft, waarom dan ook, volgens art. 1129 B. W. ieder der scheidende deelgenooten moet worden geacht onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde goederen Onroerende goederen, die bij akte van scheiding aan de overige deelgenooten zijn toebedeeld, behooren dus niet tot de nalatenschap van den deelgenoot, wien zij niet werden toegescheiden, al is de akte eerst na zijn dood overgeschreven. — H. R. 7 April 1876; W. 3971; W. v. N. R. 337 R. W. v. N. 267; P. W. 6504; N. R. CXII, 39; met bevestiging Rechtb. 's-Hertogenbosch 2 October 1874; W. 3853; W. v. N. R

287; R. W. v. N. 239; P. W. 6504. In gelijken zin H. R. 14 Januari 1887, concl. conf.; W. 5388; W. v. N. R.908; R. W. v. N. 585; N. R. CXLV, § 8,64.

1820. Door de boedelscheiding wordt het toebedeelde goed niet verkregen, maar wordt alleen vastgesteld uit welke goederen het vroeger onverdeeld aandeel van den erfgenaam bestaat. — H. R 8 December 1892, concl. conf.; W. 6280.

1821. In tegenstelling van de thans geldende beginselen had in het OudVaderlandsch recht de boedelscheiding niet een déclaratief, maar'een translatief karakter. — Rechtb. Groningen 1 Februari 1901; P. v. J. 1903, 233.

1822 Na verdeeling moet hij, aan wien een perceel wordt toebedeeld, geacht worden, dat perceel steeds, — en dus ook toen hij vroeger zijn testament maakte — in eigendom te hebben gehad. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 10 Februari 1886; W. 5356; T. v. N. IV, 241.

1823. Degene, aan wien bij scheiding en deeling eene inschuld, die deel uitmaakt van de tusschen den erflater en diens echtgenoot bestaande huwelijksgemeenschap, werd toebedeeld, kan tegen den debiteur ageeren, ook zonder dat aan dezen vooraf de scheiding werd beteekend. — H. R. 14 Januari 1887, concl. conf.; W. 5388; W. v. N. R.908;R.W. v. N. 585; N. R. CXLV, § 8, 64.

1824. Aan dit artikel kan, ook waar het de scheiding van eene huwelijksgemeenschap en niet die van eene nalatenschap betreft, de toepasselijkheid niet worden ontzegd. — Rechtb. Alkmaar 19 December 1889; W. v. N. R. 1066.

1825. Waar door den executant ten laste van den geëxecuteerde e'enige per-

Sluiten