Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1927. D. Van onbeheerde nalatenschappen. — W. v. N. R. 1118, 1119, 1120, 1124 en 1125.

1928. Dit artikel kan worden toegepast ook, indien in het request, houdende verzoek tot benoeming van een curator, eenige personen als erfgenamen zijn vermeld en niet blijkt, dat deze onbekend zijn. — Hof Amsterdam 12 October 1888; met vernietiging Rechtb. Alkmaar 6 September 1888; W. 5635; P. W. 7739.

Art. 1174.

1929. Tot de personen, aan wie de curator eener onbeheerde nalatenschap rekening en verantwoording behoort te doen, behooren niet de schuldeischers der nalatenschap. — Rechtb. Rotterdam 10 April 1899; W. 7375; Not. W. 14.

Art. 1175.

1930. De Staat heeft recht op de onbeheerde nalatenschap van een hier te lande tijdelijk woonachtigen vreemdeling, voorzoover die bestaat uit goederen, in Nederland gelegen. — R. A. X, 51.

1931. Slechts als er erfgenamen zijn opgekomen, kan er voor den curator eener onbeheerde nalatenschap grond bestaan tot het afleggen van rekening en verantwoording in den vorm van art. 784 R.v. Zijn er in het geheel geen erfgenamen opgekomen, dan heeft hij stil te zitten totdat de termijn van dit artikel verstreken is, om na omloop daarvan in den gewonen vorm rekening en verantwoording te doen. — Rechtb. 's-Gravenhage 15 Mei 1896; Hof's-Gravenhage 15 Juni 1896; W. 6844; P. v. J. 1896, 66.

ACHTTIENDE TITEL.

Van bevoorrechte schulden.

Eerste Afdeeling. Van bevoorrechte schulden in het algemeen.

Art. 1177.

1932. Uit dit artikel volgt niet, dat de schuldenaar zijn eigen goed niet zou mogen vervreemden; dit artikel heeft alleen de strekking om aan te duiden, waarop de schuldeischer eventueel zijne vorderingen zal mogen verhalen, zonder in het minst een beperking in te houden. — Rechtb. Amsterdam 2 Januari 1889; W. 5753.

1933. Naar de artt. 1177 en 1178 B. W. strekken alle goederen des schuldenaars tot waarborg voor zijne schuldeischers, voorzoover geen wettelijke bepalingen zich daartegen verzetten. De wet onderscheidt daarbij dan niet tusschen goederen, die den schuldenaar alleen, dan wel onverdeeld met anderen in eigendom toebehooren. In hare algemeenheid is dus niet juist te achten de leer, dat een beslag, gelegd op goederen, die mede aan derden toebehooren, is onrechtmatig, wijl door zoodanig beslag daaraan mede zijn onderworpen, goederen, die niet, althans niet uitsluitend, behooren tot het vermogen van den debiteur des beslagleggers. Indien met het beslag op goederen des debiteurs, tevens zijn in beslag genomen goederen van derden of goederen, die mede aan derden toebehooren, dan hebben deze naar art. 538 R.v. het recht die goederen op te vorderen en de inbeslagnemer zal de gevolgen zijner daad hebben te dragen, doordat liet beslag onrechtmatig is, voorzoover betreft het aan die derden toebehoorende deel der goederen, wat dan echter niet wegneemt, dat het overigens in stand kan

Sluiten