Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richtingen aan den deurwaarder heeft toevertrouwd. Tot die kosten behoort evenmin het salaris van den procureur wegens het doen van de vordering voor den rechter-commissaris om in de rangregeling te worden begrepen bij de verdeeling der kooppenningen van uit kracht van het beding van art. 1223 B. W. verkochte onroerende goederen, welke in executoriaal beslag waren genomen, omdat ook hier de wet het ministerie van den procureur niet voorschrijft en dus geacht moet worden in tegenstelling van art. 482 R.v., het doen dier vordering aan de schuldeischers in persoon te hebben willen overlaten. — H. R. 10 Mei 1894; W. 6502; P. v. J. 1894, 49; N. R. CLXVII, 21; Mb. Dw. X, 9.

1951. Geene andere gerechtskosten zijn bevoorrecht, dan de hier vermelde. — Rechtb. Zwolle 16 Mei 1894; W. 6560.

1952. Als executiekosten mogen alleen beschouwd worden kosten, die uitsluitend veroorzaakt worden door de uitwinning; derhalve niet die kosten, welke met die executie samenhangen, doch geen eigenlijke maatregelen van executie zijn, zoodat de kosten, veroorzaakt door de naleving van art. 512 R.v. niet als kosten van uitwinning op het uitgewonnen goed kunnen worden verhaald. — Hof Arnhem 3 December 1902; W. 7923; W. v. N. R. 1753.

Art. 1185 no. 2.

1953. Mr. M. Polak. Het voorrecht van den verhuurder. — R. M. XII, 272.

1954. Prof. mr. H. J. Hamaker. De verhouding tusschen de rechten eens verhuurders naar de artt. 1185, 2°, 1186—1189 en die eens verkoopers naar de artt. 1185 3° en 1190—1192 B. W.— W. v. N. R. 1824.

1955. Pandbeslag kan alleen op meubelen worden gelegd voor eene bestaande, niet voor een eventueele schuld. — Rechtb. Amsterdam 22 Mei 1883; W. 4956.

1956. De schadevergoeding wegens wanpraestatie in het voldoen der huurpenningen tot het bedrag der huurpenningen beperkt, moet geacht worden tot de nakoming der huurovereenkomst betrekking te hebben en alzoo eene preferente schuld volgens dit artikel te zijn. — Hof 's-Hertogenbosch 18 December 1894; W. 6603; met vernietiging Rechtb. Breda 6 Februari 1894; W. 6482; Mb. Dw. IX, 12.

1957. Het voorrecht aan den verhuurder toegekend op de voorwerpen, zich tot stoffeering van het gehuurde huis, daarin bevindende, kan ook worden uitgeoefend ter zake van datgene, wat den verhuurder bij vonnis is toegewezen als vergoeding van kosten, schaden en interessen, zulks ter gelegenheid van de uitgesproken ontbinding van huur en verhuur. — Rechtb. 's-Gravenhage 24 Mei 1892. Bevestigd door Hof aldaar 16 Januari 1893; W. 6318; Mb. Dw. X, 12.

1958. Het voorrecht bij deze bepaling den verhuurder toegekend, moet ook geacht worden verbonden te zijn aan eene schadevergoeding den verhuurder bij rechterlijk vonnis toegekend na ontbinding der huurovereenkomst wegens wanbetaling der huurpenningen. Tot verhaal van zoodanige schadevergoeding kan dus ook pandbeslag worden gelegd. — Rechtb. Arnhem 18 Januari 1904; Mb. Dw. XX, 27.

1959. Krachtens deze bepaling zijn wel bevoorrecht huurpenningen van onroerende goederen, niet de renten daarvan ingeval van te late betaling. — Rechtb. Zwolle 16 Mei 1894; W. 6560.

Sluiten