Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1201.

2085. De sommatie in dit artikel voorgeschreven, wordt niet gevitiëerd, doordat bij vergissing de betaling van een te groot bedrag wordt gevorderd. De pandhouder, die tot executie van het onderpand wenscht over te gaan, behoeft de sommatie, bedoeld in dit artikel uitbrengende, niet mede het onderpand aan te bieden; hij kan volstaan met eene bereidverklaring tot uitlevering van het onderpand tegen betaling. — Hof Arnhem 8 Februari 1905; W. 8191.

2086. De partij, die zich bij het prolongatie-contract onderwerpt aan alle bepalingen van het beursreglement voor den effectenhandel is ook, zoude het incourrante effecten gelden, gebonden door de bepalingen van het reglement, dat de wijze van verkoop van effecten d. i. ter beurze voorschrijft. De bepaling van dit artikel is niet van openbare orde. — Hof 's-Gravenhage 29 Februari 1892; W. 6179; P. v. J. 1892, 36.

2087. Ingeval een onderpand van effecten kan worden geëxecuteerd, behoeft de pandhouder niet onmiddellijk tot executie over te gaan. Of hij die executie te lang heeft verschoven, moet in ieder bijzonder geval naar omstandigheden worden beoordeeld. — Rechtb. Amsterdam 26 Mei 1905; W. 8404; N. M. v. H. XVII, 74.

Art. 1202.

2088. Waar de rechter aan den pandhouder kan toestaan het pand tegen een door den rechter te bepalen som tot zich te nemen, is het niet in strijd met de wet, aan den pandhouder machtiging te verleenen, het pand aan een ander af te staan tegen de volle nominale waarde. — Rechtb. Arnhem 22 Maart 1894; W. v. N. R. 1270.

2089. Bij de vordering door den schuldeischer op grond van art. 1202 B. W. ingesteld, behoort het tot des rechters bevoegdheid, om bij de bepaling van de wijze van verkoop van het pand mede de plaats van den verkoop vast te stellen. Niets staat er dan in den weg om daarvoor eene buitenlandsche plaats aan te wijzen. — Hof 's-Gravenhage 26 Juni 1905; W. 8276; (cassatie verworpen door H. R. bij het volgend arr.).

2090. Waar de wet in dit artikel den rechter opdraagt, om de „wijze" van verkoop van het onderpand te regelen, moet worden aangenomen, dat onder die regeling der „wijze" van verkoop mede begrepen is de aanwijzing der plaats van verkoop, ook al is die aanwijzing niet door den pandhouder gevraagd. — H. R. 26 Januari 1906, concl. conf.; W. 8332; P. v. J. 1906, 514; N. R. CCII, 128.

Art. 1204.

2091. Alhoewel het bij prolongatiecontract usance is, dat de rente en provisie per maand worden afgerekend, zoo kan echter door niet-naleving dier usance het prolongatie-contract zijn eigenaardig karakter niet verliezen. — Rechtb. Arnhem 4 Mei 1882; N. M. v. H. I, 228; P. v. J. 1882, 20, Bijbl.

2092. Ingeval van inpandgeving van een vruchtgebruik zijn het eigenlijk object van het pand de vruchten, die het met vruchtgebruik bezwaarde kapitaal afwerpt. Mitsdien is de pandnemer niet gerechtigd om op grond van art. 1204 B. W. de vruchten als interessen van het pand-object te innen. — Hof Amsterdam 11 November 1904; W. 8194; W. v. N. R. 1846; Not. W. 294. Gecasseerd H. R. 28 April 1905, concl. conf. ; W. 8215; W. v. N. R. 1855; Not. W. 306; P. v. J. 1905, 448; N. R. CXCIX, 583.

Sluiten