Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2189. W. Stokvis. Art. 1223. Exploit van opzegging. — W. v. N. R. 1242.

2190. Mr. W. F. Frijlinck. Art. 1223. Ingebrekestelling. — W. v. N. R. 1246.

2191. Frijlinck. Is het ter uitoefening der onherroepelijke volmacht van art. 1223 B. W. noodig, dat de debiteur in gebreke zij gesteld? Neen — W. v. N. R. 1798.

2192. De hypothecaire schuldeischer, die gebruik wil maken van de bedongen onherroepelijke machtiging der te zijnen behoeve verbonden onroerende goederen is volgens de wet niet verplicht, den door hem voorgenomen verkoop dier goederen aan den schuldenaar of aan diens erfgenamen te doen aanzeggen, waaruit volgt, dat een onvolledige vermelding der te verkoopen goederen bij die aanzegging, den verkoop niet nietig maakt, noch om een bevel tot betaling of andere stukken aan de erfgenamen van zijn schuldenaar persoonlijk te doen beteekenen, daar de wet hem nergens de verplichting oplegt om dezen op te sporen. — Rechtb. Maastricht 6 Juli 1886; W. 5373; W. v. N. R. 910; R. W. v. N. 580.

2193. Aan een verkoop krachtens dit artikel, behoeft niet vooraf te gaan de beteekening der grosse van de akte aan den schuldenaar. — Rechtb. Zutfen 15 November 1888; W. 5723; W. v. N. R. 1016; R. W. v. N. 653.

2194. De onherroepelijke machtiging van dit artikel is te beschouwen als eene lastgeving, niettegenstaande daarop onderscheidene bepalingen betrekkelijk lastgeving niet van toepassing zijn. Die machtiging behoort tot de in art. 32 der wet op het Notarisambt bedoelde „volm achten, waaruit de handelende

personen hunne bevoegdheid ontleenen". - H. R. 30 Maart 1883; P. W. 6913. H. R. 6 Februari 1891; W. 5990; R. W. v. N. 703; P. v. J. 1891, 18; N. R. CLVII, 94; T. v. N. VIII, 444; IX, 1. H. R. 8 Juni 1894; W. 6510; W. v. N. R. 1282; P. v. J. 1894, 63; N. R. CLXVII, 111; (bevestigende Rechtb. Zierikzee 27 Februari 1894; W. 6513; VV. v. N. R. 1264). Rechtb. Leeuwarden 4 Januari 1883; W. v. N. R. 685; R. W. v. N. 462. Rechtb. Heerenveen 16 Mei 1890; P. W, 7946.

2195. Bij verkoop ex art. 1223B. W. moet de naam enz. van den hypotheekgever, of moeten — in geval hij is overleden — de namen enz. van zijne erfgenamen in de akte worden vermeld, volgens art. 26 der wet op het Notarisambt. — H. R. 27 Juli 1879; W. v. N. R. 504. Rechtb. Heerenveen 16 Mei 1890; P. W. 7946. Rechtb. Middelburg 8 April 1891; W. v. N. R. 1160; P. W. 8163. Rechtb. Zierikzee 27 Februari 1894 ; W. 6513; W. v. N. R. 1264.

2196. De hypothecaire crediteur, krachtens onherroepelijke volmacht het verbonden perceel verkoopende, moet worden beschouwd als vertegenwoordiger van den debiteur, zoodat deze als verkooper verplicht is den kooper te waarborgen. — Rechtb. Winschoten 15 October 1892; W. 6319; W. v. N. R. 1160; T. v. N. XI, 23.

2197. De schuldenaar, wiens voor de schuld verbonden onroerende goederen, door den schuldeischer krachtens onherroepelijk machtiging verkocht zijn, is bevoegd tegen den kooper de actie in te stellen welke uit diens nalatigheid in het voldoen aan de verkoop-voorwaarden voortspruit. — Rechtb. Amsterdam 30 April 1899; P. v. J. 1889, 84.

Sluiten