Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

298. Dit artikel verbiedt alleen de actie tot ontbinding te cumuleeren met die tot nakoming, niet om na aanvankelijk de eerste actie te hebben gekozen later op die keus terug te komen en de andere actie in te stellen. — Hof's-Hertogenbosch 25 November 1902; W. 7860.

299. De wet hecht nergens aan de prioriteit der actie tot ontbinding het gevolg, dat de actie tot uitvoering daardoor gestuit wordt. — H. R. 8 Mei 1885; W. 5161.

300. W anneer eenm aal eene vordering tot nakoming eener overeenkomst bij verstek is toegewezen, kan later door denzelfden eischer geene vordering tot ontbinding dierzelfde overeenkomst worden ingesteld, op grond, dat hem tusschentijds gebleken was, dat nakoming dier overeenkomst onmogelijk was. — Rechtb. Utrecht 12 Februari 1902; W. 7740.

301. Dit artikel verzet er zich niet tegen, dat wordt gevorderd primair ontbinding en subsidiair nakoming van dezelfde overeenkomst. — Rechtb. 's-Gravenhage 14 December 1897; W. 7100; P. v. J. 1899, 25.

302. Bij eene dagvaarding kan worden ingesteld eene vordering tot ontbinding eener huurovereenkomst op grond van wanbetaling der huur en subsidiair eene vordering tot betaling van die huur en tot van waardeverklaring van een te dier zake gelegd pandbeslag. — Rechtb. Alkmaar 18 December 1902; W. v. N. R. 1729.

303. De partij, die te vergeefs getracht heeft hare wederpartij tot betaling van den koopprijs van het aan haar verkochte onroerend goed te noodzaken, kan nog daarna de ontbinding der over¬

eenkomst van verkoop en koop vorderen.

— H. R. 6 Januari 1888; W. 5504; P. v. J. 1888, 13; N. R. CXLVIII §4,18; R. W. v. N. 611.

304. Uit dit art. volgt niet, dat hij die de nakoming eener wederkeerige overeenkomst gevorderd heeft, doch in zijne poging om de wederpartij daartoe te noodzaken niet is geslaagd, zou verstoken zijn van zijn recht om de ontbinding dier overeenkomst te vragen.

— Rechtb. 's-Gravenhage 7 Mei 1895: Hof 's-Gravenhage 17 Juni 1895; W. 6694.

305. In geval van het bestaan eener ontbindende voorwaarde heeft degene, ten wiens opzichte die voorwaarde niet is nagekomen, een recht op ontbinding, dat hem niet meer ontnomen kan worden door eene tardieve nakoming der overeenkomst door de andere partij. — H. R. 30 December 1892; W. 6330; P. v.J. 1893, 18; W. v. N. R. 1260; v. d. H. B. R. LVIII, 495; N. R. CLXII, 438; R. W. v. N. 771.

306. J. M. A. Roelants. Moet de eischer eener wederkeerige verbintenis om in de actie van art. 1303 B. W. ontvankelijk te zijn, zelf eerst aan zijne verplichtingen voldaan hebben? — Ac. Pr. Groningen 1891.

307. Niet-nakoming van hare verbintenis door de eene partij ontslaat de wederpartij niet van het nakomen harer verplichtingen. — Hof 's-Gravenhage 1 Juni 1887; W. 5503 en 7 Mei 1888; W. 5580; P. v. J. 1888, 67.

308. Waar eenerzijds door den eischer, niet-nakoming eener overeenkomst wordt gesteld, kan de andere partij, bewerende dat de eischer vóór gedaagde contractbreuk pleegde, zelf reeds de overeenkomst

Sluiten