Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

626. De actie uit art. 1337 ingesteld tegen dengene, met wien de schuldenaar heeft gehandeld, zonder dat deze mede in het geding is geroepen is ontvankelijk. — H. R. 14 April 1881; W. 4635; N. R. B. 1882, B. 190; R. W.v.N.415; v. d. H., B. R. XLVI, 253.

627. De reconventioneel ingestelde actio Pauliana is ook dan ontvankelijk, als niet allen, die de aangevallen handeling gepleegd hebben, partij in het geding zijn. — Rechtb. Amsterdam 29 April 1897; W. 6985.

628. Een schuldeischer, die zorgt dat hij meer van zijn schuldenaar krijgt dan zijn hem volgens art. 1178 B. W. toekomend aandeel op een oogenblik, dat de boedel in slechten staat is, verricht daardoor niet per se eene handeling ter bekorting van de rechten zijner crediteuren. Ook als hij den slechten toestand van den boedel kent, kan hij niet gezegd worden, dat hij met een bedriegelijk oogmerk handelt. — Hof Amsterdam 25 Juni 1880; W. 4564; P. v. J. 1880,42.

629. Het vereischte voor de actio Pauliana, dat den schuldeischer schade is toegebracht, wordt niet weggenomen door een aanbod hangende het geding. — Hof Leeuwarden 11 Mei 1881; W. 4688.

630. In cassatie kan niet over verkeerde toepassing van dit artikel worden geklaagd, waar geen rechtsvordering op grond van dit artikel is ingesteld. — H. R. 27 Januari 1882; v. d. H., B, R. XLVII, no. 1755, 146.

631. Buiten het geval van dit artikel kan de nietigheid, althans de krachteloosheid van eene overeenkomst niet worden beweerd door hem, die daarbij geen partij geweest is. — Hof 's-Hertogenbosch 11 September 1883; W. 4943.

1066

632. De Pauliana kan niet alleen worden ingesteld tegen hen of een van hen, die de gemaakte handelingen hebben verricht, maar ook tegen hen, die in hunne rechten zijn getreden. — Rechtb. Zierikzee 13 Januari 1885; W. 5178.

633. De rechten van den kooper van onroerend goed zijn niet verkort, als de verkooper zich buiten staat heeft gesteld het goed te leveren door het inmiddels aan een ander te verkoopen en over te dragen. Van zoodanige verkorting zou alleen sprake kunnen zijn, als de tweede verkoop onder de waarde was gesloten.

— Hof 's-Gravenhage 7 Maart 1887; W. 5389 en 5481; W. v. N. R. 910; R. W. v. N. 584.

634. Een crediteur, die, om zich te dekken, den geheelen inboedel van den schuldenaar koopt met de wetenschap, dat deze zijne crediteuren niet kan voldoen, handelt ter bedriegelijke verkorting der rechten van zijne mede-crediteuren.

— Rechtb. Winschoten 27 Juli 1887; W. 5610; R. W. v. N. 636.

635. Degene met wien de schuldenaar gehandeld heeft, kan slechts dan geacht worden te hebben gehandeld ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeischers, indien bewezen wordt, dat hij bij het verrichten der handeling wist, dat de financiën van den schuldenaar uiterst slecht, zoo al niet hopeloos waren — Rechtb. Arnhem 15 Februari 1894; P. v. J. 1896, 36.

636. De erfgenamen van een der contracteerende partijen zijn niet ontvankelijk in hunne vordering tot nietigverklaring der overeenkomst op grond, dat die overeenkomst door hunnen erflater en zijn mede-contractant was gesloten ter bedriegelijke verkorting hunner

Sluiten