Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

968. Waar niet vast staat, dat de zaak, waardoor schade is veroorzaakt tijdens het ongeval onder het opzicht stond van den eigenaar, doch als grond voor diens aansprakelijkheid alleen diens eigendomsrecht is aangevoerd, brengt dat eigendomsrecht niet per se de beweerde aansprakelijkheid mede. — Rechtb. Amsterdam 8 Januari 1895; W. 6716.

969. Voor de toepassing van art 1403 al. 1 sub fine B. W. wordt vereischt, dat de schade door de zaak teweeg gebracht, te wijten is aan de schuld van hem, die haar onder zijn toezicht heeft, terwijl van eene uitzondering op den algemeenen regel van bewijsleer, dat hij die stelt, bij betwisting moet bewijzen, niet de rede is. — Hof Amsterdam 22 Mei 1896; W. 6844; P. v. J. 1897, 34.

970. Ook bij aansprakelijkheid voor zaken, die men onder zijn opzicht heeft en die aan een ander schade toebrengen vordert de wet het aanwezig zijn van schuld. — Hof Amsterdam 12 April 1906; W. 8443. (Met bevest. Rechtb. aldaar 25 Mei 1904; W. 8239).

971. Het hebben van toezicht over eene zaak sluit in zich de verplichting om de schade, door die zaak teweeggebracht, te vergoeden, tenzij de tot vergoeding aangesprokene bewijze, dat de schade is veroorzaakt door omstandigheden, die hem niet kunnen worden toegerekend. — Rechtb. Amsterdam 17 April 1883; W. 4945; P. v. J. 1883, 27.

972. Dit artikel betreft de verantwoordelijkheid wegens schade veroorzaakt door nalatigheid in toezicht. — Rechtb. Leeuwarden 26 Juni 1890; W. 5934.

973. De nalatigheid moet, als bestand¬

1142

deel van den grondslag der vordering overeenkomstig art. 1902 B. W. door den eischer worden bewezen. Art. 1403 B. W. bevat geene uitzondering op den regel van art. 1902 B. W. — H. R. 5 Februari 1897; W. 6927.

974. Wanneer iemand een derde aanspreekt tot vergoeding van hem door anderen onrechtmatig berokkende schade, dan behoort hij op straffe van nietontvankelijkheid in de dagvaarding te stellen op grond van welke rechtsverhouding hij dien derde aansprakelijk acht. — Hof Amsterdam 11 December 1908; W. 8894.

975. Voor de toepassing van art. 1403 B. W. en bepaaldelijk ook van het derde lid daarvan, is noodig te stellen feiten medebrengende de schuld van den ondergeschikte, voor wiens daad degene, die hem aanstelde tot de waarneming zijner zaken, verantwoordelijk wordt gesteld. — Rechtb. 's-Gravenhage 1 December 1908; W. 8772.

976. De aanwezigheid van een loods aan boord ontheft den gezagvoerder niet van de verantwoordelijkheid voor door zijn schip toegebrachte schade. — Rechtb. Middelburg 16 Juni 1886; W. 5377.

977. De aansprakelijkheid volgens art. 1403 B. W. hangt af van de aanstelling van een ander tot waarneming der zaken van hem, die aanstelt. Bij inroeping dier aansprakelijkheid moet blijken, dat iemand is aangesteld tot de waarneming der zaken van hem, die aanstelt. Dit kan afhangen van de voorwaarden, waarop eene aanstelling heeft plaats gehad. Door te beslissen dat de in art. 1403 B. W. bedoelde aansprakelijkheid niet kan afhangen van de voorwaarden, waaronder men personen bezigt tot het waarnemen zijner

Sluiten