Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die de betrekkelijke akte passeerde, is niet geldig tegenover den schuldeischer. Indien de notaris, te wiens overstaan destijds de akte van schuldbekentenis met hypotheekstelling werd verleden, geen volmacht of eenige bevoegdheid heeft verkregen, om in strijd met den inhoud der hypotheekakte eenige betaling, hetzij geheel of gedeeltelijk voor rekening van den schuldeischer in ontvang te nemen en daarvoor te kwiteeren, en hij ook geen wettige houder der grosse is en de schuldeischer nooit eene partiëele betaling, bij den notaris geschied, heeft goedgekeurd, moeten die betalingen tegenover den schuldeischer als niet geschied worden beschouwd. — Rechtb. Amsterdam 27 December 1892; W. v. N. R. 1234; P. v. J. 1893, 15. Bevest. door Hof aldaar 15 December 1893; W. 6489; P. v. J. 1894, 27.

Art. 1425.

1112. In betaling geven van wissels of ander handelspapier brengt geen directe of onvoorwaardelijke schulddelging te weeg, maar moet beschouwd worden als eene in solutum datio, eerst geldende bij finale betaling, als het papier met betaling is gehonoreerd, terwijl bij wanbetaling daarvan de ouder liggende schuld blijft bestaan. — Rechtb. Zutphen 9 Mei 1889; R. W. v. N. 1063.

Art. 1429. (1)

1113. Na het overlijden van den notaris, wiens kantoor bij een procesverbaal van openbare verhuring is aangewezen als de plaats, waar de betaling van den huurprijs jaarlijks moet geschieden, moet die betaling gedaan worden aan de woonplaats van den verhuurder. — Rechtb. Groningen 20 Juni 1884; W. v. N. R. 771; R. W. v. N. 510.

(1) Zie aant. onder art. 1550.

1114. Al is bij het plan eener gemeentelijke geldleening bepaald, dat de coupons en de jaarlijks uit te loten obligatiën ten kantore van den gemeenteontvanger worden uitbetaald, moet toch bij de aflossing der geheele leening de betaling van de obligatiën aan de woonplaats van den schuldeischer plaats hebben en kan de gemeente zich niet van de schuld ontslaan door de verschuldigde som ten kantore van den gemeente-ontvanger beschikbaar te stellen. — Rechtb. Arnhem 10 Januari 1887; P. v. J. 1887, 5. Hof Arnhem 12 Juli 1887; W. 5329; P. v. J. 44.

1115. Dit artikel is ook toepasselijk op verbintenissen uit de wet. — Kantong. Groenlo 20 Januari 1891; W. 6202; Mb. Dw. VIII, 5.

1116. Waar de akte van hypotheekstelling uitdrukkelijk de plaats, waar en de personen, aan wie de rente en aflossingen moeten worden betaald, aanwijst, kan daarvan zonder nadere akte niet worden afgeweken. — Rechtb. Amsterdam 5 Januari 1893; W. 6535.

1117. Onder betaling in dit artikel moet worden verstaan niet alleen betaling in geld, maar iedere praestatie van hetgeen krachtens de verbintenis verschuldigd is. — Kantong. Amsterdam 1 September 1892; Mb. Dw. IX, 7.

1118. In dit artikel wordt onder betaling verstaan in het algemeen elke praestatie ter voldoening aan eene verbintenis. Ten aanzien van de plaats der betaling wordt door art. 1550 B. W. voor betaling van den koopprijs aan dit artikel gederogeerd. — Rechtb. Leeuwarden 27 Februari 1892; W. 6346.

1119. Het recht van den schuldeischer om betaling te vorderen ter

Sluiten