Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoon zich voor vaste leverantiën tot denzelfden verkooper te wenden. — Kantong. Zevenbergen 21 Juni 1894; Mb. Dw. XI, 8.

1130. Dit artikel bevat een wettelijk vermoeden van schuldbevrijding, dat degeen, die er zich op beroept, van alle verder bewijs ontslaat. Hierin wordt geene verandering gebracht, doordat de persoon, die zich op dit wetsvoorschrift beroept, erkent een paar der vele van hem gevorderde termijnen schuldig te zijn. — Rechtb. 's-Gravenbage 20 November 1900; W. 7549.

Art. 1431.

1131. Ook als de schuld ten allen tijde opeischbaar is en bedongen is, dat de kosten van opvordering zullen worden gedragen door den schuldenaar, kan deze, zelfs na de dagvaarding, volstaan met de verschuldigde hoofdsom en interessen zonder kosten aan te bieden. — Rechtb. Breda 19 September 1882; W. 4821; R. W. v. N. 456.

1132. H. B. Gottmer. Ten wiens laste komen de kosten van protest van op bepaalden tijd geaccepteerd handelspapier, indien bij het opmaken van het protest betaald wordt? (S. meent ten laste van den schuldenaar.) — W. v. N. R. 1075.

Art. 1433.

1133. Een schuldeiseher, die last geeft

tot inning van vervallen rente eener schuld en daartoe een geschreven quitantie aan zijn lasthebber ter hand stelt, kan geen schade lijden doordat die lasthebber op de quitantie mede valsch een quitantie voor de hoofdsom bijschrijft. De debiteur die op die quitantie hoofdsom en renten betaalt, is slechts voor de renten bevrijdt. — Rechtb. Amster¬

1178

dam 3 October 1893; W. 6475; P. v. J. 1893, 101.

Art. 1434.

1134. In het geval van dit artikel moet de schuldeischer het bestaan van de schuld bewijzen tot voldoening waarvan hij de betaling heeft doen strekken. Het zonder protest aannemen en onder zich houden van een verklaring des schuldeischers betreffende eene door dezen gedane toerekening op een bijzondere schuld, is op zich zelf niet voldoende om den schuldenaar het recht tot betwisting dier toerekening en van het bestaan dier schuld te doen verliezen. — Rechtb. Heerenveen 3 Maart 1893; \V. 6320.

Art. 1435.

1135. De regel van dit artikel omtrent de imputatie van betalingen, geldt ook in een procedure tot rekening en verantwoording. — H. R. 20 April 1888; W. 5545; P. v. J. 1888, 54; N. R. CXLV1II, § 62, 373.

1136. Dit artikel kan alleen toepassing vinden, indien hij, die betaald heeft, tot betaling van meerdere schulden is gehouden. — H. R. 28 November 1890, concl. conf.; W. 5965; W. v. N. R. 1142; v. d. H., B. R. LVI, 274; N. R. CLYI, 264.

1137. Toerekenbaarheid van betaling op verschillende schulden bij haar gelijktijdig bestaan. — Rechtb. Breda 21 Februari 1893; W. 6375; R. W. v. N. 779.

1138. Als een schuldeischer aan zijn schuldenaar opgave doet van hetgeen deze laatste hem schuldig is en daarbij na de verschillende debetposten te hebben opgesomd, van dat totaal een zeker bedrag als betaald aftrekt, brengt die

Sluiten